David Byrne breekt behoorlijk wat potten met zijn nagelnieuwe Who Is the Sky?, een album dat op gezette tijden uit zijn voegen barst van de vrolijke deuntjes. Voor één keertje is de carrière van de soloartiest minstens zo goed als die van ’s mans vroegere band.
Beginnen doet deze plaat in een opperbeste stemming met de gekende vooruitgeschoven single “Everybody Laughs”, een song die zo optimistisch klinkt als een dozijn standupcomedians in een 2PK. Zowel de videoclip als de song in kwestie doen sterk denken aan het onklopbare “Shiny Happy People” van R.E.M., inmiddels lichtjaren geleden. En het vervolg is minstens even goed.
Byrne ging voor dit album in zee met het vijftienkoppige Ghost Train Orchestra, en die unieke mix tussen elektrische instrumenten enerzijds en strijkers, hout- en koperblazers anderzijds zorgt voor een aanstekelijke sfeer. In “When We Are Singing” zingt Byrne bijvoorbeeld wel héél nasaal, maar de rijke arrangementen, zo vol als een maaltijdsoep, van dat net vermelde Orchestra sturen u toch met een kamerbrede glimlach naar de rest van de plaat.
Alle lof dus voor producer Kid Harpoon die, als een koorddanser op een dunne nylon draad, alles feilloos in goede banen leidde. “My Apartment Is My Friend”, de eerste song die ontsproot uit de samenwerking tussen Byrne en zijn Orchestra, lijdt muzikaal wat aan metaalmoeheid. Maar hey, we praten hier nog steeds over David Byrne, een muzikant van het zuiverste water die zijn legendarische band Talking Heads in 1981 al even op een zijspoor zette om met Brian Eno op de plaat My Life in the Bush of Ghosts zeer vroege vormen van sampling en wereldmuziek op de mensheid los te laten. Byrne balanceert, anders gezegd, al zijn hele leven tussen experimentele avant-garde en toegankelijke pop. en dus mag ook “A Door Called No” dat tikje fletser zijn; daar draaft immers al in volle galop de van energie bruisende tweede single “What Is The Reason For It?” aan. In duet met Hayley Williams geeft deze ene song ons hetzelfde effect als een gezinsverpakking Prozac op een wel heel straffe koffie. Heerlijk gewoon.
Goeie thema’s ook in de teksten van deze plaat: verbondenheid, samen lachen, samen dwalen, samen vragen stellen, het zit er allemaal naadloos in. Liefde is namelijk in Byrne zijn universum onverklaarbaar, verlichting betekent voor iedereen iets anders en het is, dixit Byrne, altijd verstandig om je in te smeren met crème, of je de volgende ochtend nu wakker wordt met babyhuid of niet. Muzikaal is het allemaal zo feestelijk als een Braziliaans carnaval, bijvoorbeeld in het heerlijk relativerende “I Met The Buddha At A Downtown Party” en het met strijkers gelardeerde “Don’t Be Like That”. In het cynische “The Avant Garde” hekelt de zanger meesterlijk de l’art pour l’art -mentaliteit in sommige kunstkringen en hij doet dat met een, u raadt het, vrij experimentele song.
“People judge us by the way that we look/look at the cover and they don’t read the book,” zingt de man vervolgens moordend accuraat in “The Moisturizing Thing”, een song die de eeuwige obsessie van de samenleving met jeugd en hoe je er uitziet vakkundig hekelt middels de net vernoemde in te smeren crème. Byrne staat ook steevast voor een tikje vervreemding, en dus zingt hij in “I’m an Outsider” heel accuraat “Is it members only?/the exclusive kind/is it too expensive?/the world of your mind.” Vreemd eigenlijk dat geen van de songs op deze plaat herinnert aan het sublieme Talking Heads, de eerste band die, dat weet u, Afrikaanse ritmes injecteerde in rockmuziek. Of toch, na het ietwat lauwe “She Explains Things To Me”, is daar de fel bruisende, op steengoede percussie drijvende hekkensluiter “The Truth”, een meer dan waardige afsluiter van een plaat die u, ondanks enkele kleine dipjes, toch welgemutst aan boord van uw dag laat klimmen. Jawel, Talking Heads blijft een mijlpaal in de popgeschiedenis, maar dit album toont naadloos aan hoe je op een uiterst stijlvolle manier oud én nog steeds relevant blijft. Aanrader van het huis.




