Zondag 13 juli :: Rock als gekostumeerd bal
No more lonely boy: vandaag krijgen we collegiaal gezelschap, worden de werkzaamheden verdeeld. Dat is nodig, want deze zondag wordt een lange Heilige Mis. Worst case scenario? Dat het regent, natuurlijk.
Cactusbaas Tim Beuckels is er niet vies van om zijn voormalige Unday-protégés dit festival binnen te loodsen. Gisteren hadden we al The Bony King Of Nowhere, vandaag mag Porcelain id aftrappen. Nepotisme? Neen hoor; gewoon een oor voor kwaliteit, want Hubert Tuyishime pakt het park vandaag in met een begeesterde set dwarse songs.
“You Are The Heaven” wordt opgedragen aan alle sukkelaars. Iemand in het publiek reageert met iets te veel instemming. Tuyishime grijnst: “Da’s goed. Toegeven is het begin.” Het tekent de artiest, die sinds het verschijnen van debuut Bibi:1 als frontman is gegroeid. Met verbazend gemak, en elastieken beentjes gaat hij achter zijn microfoon tekeer, bedankt hij zijn muzikanten – “alsjeblieft!” – en laat hij heel het register van zijn stem horen. Soms gaat dat diep, meestal klinkt het soulvol, hoger; altijd zindert het van emotie.
Tuyishime is geen zanger. Hij is een artiest. Een man die zijn songs met hulp van producer Youssef vastpakte, en voor die eerste plaat een niveau hoger tilde. Beats waren plots toegelaten, hakkende gitaren kregen de rol van stoorzender. Wat een band trouwens, Tuyishime heeft geen ongelijk. Nard Houdmeyers voedt en ondersteunt steevast perfect op bas en gitaar, Fender Mackenson is een wendbare drummer die weet wat de songs nodig hebben; zéker geen houthakken. En dan is er toetseniste Lotte Lauwers wiens extra zang van onschatbaar belang is. In “Habibi” neemt ze de rol van Emma Hessels over; prachtsong.
“Muschel” wordt opgedragen aan George Floyd, wiens lot nog steeds niet kan vergeten worden. Tuyishime zingt de torch song met verbeten inleving, net als het weerbarstig fraserende “Adam Coming Home”. En het venijn zit in de staart met een ronduit indrukwekkend “Man Down!”, en een ingetogen laatste waarin Tuyishime ons nog maar eens aan het meezingen zet. Beklijvend optreden.
Een half uur later lijkt niets daarvan te overleven, en klinkt het alsof The Black Keys hier nog altijd in muffe rock staan te dealen. Dat klopt niet helemaal, The Mystery Lights brengen een andere kleur classic, meer rock-‘n-roll en protopunk, maar net zo goed meurt het naar lang verteerd verleden. Dit is rock als gekostumeerd bal – “ik ben Mike Brandon en ik doe The Stooges na” – geen authentieke artistieke oefening. Het wordt zelfs zo gênant dat we over een stel openingsakkoorden zo “Bad Moon Rising” beginnen te zingen. Mis, en stiekem vinden we dat jammer. CCR had tenminste goeie songs.
Een van de redenen dat wij zo houden van die zondagnamiddag op Cactus, is dat achteloos slingeren tussen grote braderij en muzikaal alternatieve fijnkost. Zo veegt King Hannah hier een uur lang de vloer aan met het zomerzonnetje. Een set met loodzware drones opgeroepen door gitarist Craig Whittle en Hannah Merrick doet niet zelden denken aan Low, Mogwai of Slowdive.
De lijkbleke en graatmagere Merrick, zoals altijd op deze tour gehuld in die vuurrode flamencojurk, is de koningin van het minimalisme. Ze doseert haar parlando en soms zelfs wat als Ierse folk klinkende zanglijntjes, haar gitaaraanslagen, haar bewegingen, ja alles in perfecte mate en raakt daardoor extra diep. Whittle mismeestert hierbij zijn Fender Jazzmaster richting de scherpste kanten van het feedbackspectrum, en snijdt zo als een Thurston Moore dwars door onze ingewanden.
Hoogtepunten van deze face-off tussen de twee voelen we bij “New York, Let’s Do Nothing”, “Somewhere Near El Paso” en “Go-Kart Kid”. Maar we spelen op een festival, dame en heer, en dus krijgen we ook netjes de indie-radiovriendelijke meeknikkers “Davey Says” en uiteraard “Big Swimmer”. Nooit was een uur sneller voorbij.
Terugkomend op dat braderijsfeertje waarvan eerder sprake, na de donderwolk van King Hannah krijgen we een cultureel verantwoorde Zumbales voor de kiezen met Nubiyan Twist. Het zevenkoppige dansorkest wordt geleid door opzweper Jessica Aziza Jaye die ons netjes de danspasjes bij elk nummer voordoet. Eeeven naar links, eeeven naar rechts, hoog die handjes! Wij schudden koppig het hoofd: niet voor ons neen – althans toch initieel. Ook wij gaan na enkele nummers alsnog voor de bijl en geven ons over aan de powersoul die we kennen van bijvoorbeeld Coely of Sampa The Great en de Creoolse ritmes van gelijkaardige rotgetalenteerde muziekschool-alumni als Ezra Collective of Oscar Jerome.
“Carry Me” en “Lights Out” doen naast het molenwieken ook voorzichtig wat meezingen, en het slot met “Pray for Me, Pt. One” en vooral “Part Two” serveert lekkere afrobeat en highlife. In de korte bisronde schuurt het gezelschap met de UK garage van “Reach My Soul” zelfs aan tegen het spannende van Kamaal Williams. Goed gebrachte genremuziek over het algemeen dus, maar toch iets te veel richting de dansles op een cruiseschip. En daarvoor spant onze zwarte jeansbroek iets te hard.
Eveneens niet geweldig gekleed op een dansles met het kostuum van altijd: Daan. Die probeert een half Bony Kingetje, vooraleer ook dat doodvalt. Van zodra hij die recente songs voor bekeken houdt, begint een ander concert, noem het: een feest der herkenning. Dead Man Ray-cover “Chemical” is nog een beetje zoeken – hoezo kan niet iedereen dat refrein meezingen? – die brede strijkers van “Everglades” doen een set openbarsten die tot nog toe heel erg op slot zat.
Wil dat zeggen dat dat nieuwe Space niet deugt? Welneen. Hoogstens is het een minder hitgevoelige, iets dwarsere, en minder behaagzieke plaat dan dat ouder werk. Verder zult u ons niet horen klagen over die bittersweet violen uit Jeroen Swinnens synth in “Shadow”, de vrolijke trompet van “Luck” of de bubbelende elektronica van “Work”; typische Daandisco.
En toch. Ze kunnen niet op tegen het spervuur van hits dat dat laatste halfuur is. Bij “Icon” zet het publiek het op een gezellig meehobbelen, “Exes” kondigt de zanger aan als “een liedje dat we al vijftig jaar spelen”, en hij voegt er met een grijns aan toe: “en in elke stad klinkt het anders.” Een muzikant is ook maar een zeeman – of was het omgekeerd. Dat hij voor de tekst nadrukkelijk zijn iPad erbij moet nemen, zegt misschien iets over de leeftijd. Of – Oh Shirley, oh Deborah, oh Julie, oh Jane, nog aan toe – over het aantal voormalige liefjes.
De finale is om in te kaderen. “The Player”, met Jo Hermans op uitbundige trompet, heeft iets euforisch, tot “Swedish Designer Drugs” dat gevoel vijf niveaus hoger tilt. Rug aan rug met drumster Isolde Lasoen knallen de beats van de meer dan twintig jaar oude doorbraaksingle tot in het centrum van Brugge. Voor het einde van “Victory” hebben de groepsleden een onnozele handjeschoreografie bedacht die niets aan de kracht van het nummer af doet. “Housewife” is nadien het uitroepteken dat we niet eens zouden hebben gemist, ware het niet dat deze versie ronduit verpletterend is. Gitarist Geoffrey Burton snokt zijn gitaartje op gang, Lasoen geselt haar cymbalen; katsjeng! Tevreden kijkt Daan van aan de zijlijn hoe zijn band de boel in de hens steekt. Terwijl de band met een buiging bedankt, blijft het publiek dat “oohooh” roepen. Niet slecht gedaan voor een artiest die meer dan twee decennia meedraait, en hier als avondeten mocht dienen.
Voor zij die iets meer houden van een “English dinner” – met nuchtere maag tegen etenstijd de pub in – was er het Sheffields boefje met peperkoeken hart Richard Hawley. De man betreedt het podium gehuld in het soort sixties-outfit waarin we Paulie uit The Sopranos zo herkennen, en vist ook muzikaal hevig uit dat decennium.
Zijn muzikanten zien eruit als het barbandje dat uw leraren Frans en Engels er na hun uren op nahielden, maar zo goed als deze mannen konden ze niet spelen. De kans is ook klein dat ze anekdotes zouden opdissen over hoe ze als vijftienjarige in het kielzog van hun nonkel in de stripclubs van de Benelux optraden. “Hij had mijn moeder wijsgemaakt dat we in concertzalen stonden. Terwijl ik nog altijd stripclubs prefereer”, grijnst Hawley, die ons met die bebaarde en gegroefde kompanen een uur lang onderhoudt met warme classic rock van de betere snit.
“Standing At The Sky’s Edge” kun je met dat openingsvers “Joseph was a good man though he killed his wife / His hungry little children, he took their lives” niet anders omschrijven dan als murder ballad. Hawley houdt het statig, vol dreiging die van Nick Cave had kunnen zijn, tot hij en zijn twee gitaristen er elektriciteit doorheen jagen. De spreekwoordelijke donkere wolken pakken zich boven het festival samen, en ook “Deep Space” is daarna erg stevig.
Op andere momenten neigt Hawley naar countryrock. “I’m Looking For Someone To Find Me” gaat hobbelend in galop, elders draven zijn snarendrijvers een eind weg. En dan zijn er nog de ballads. “Open Up Your Door” bloeit groots open als de machtige plakker die het is. Rond ons wordt gefilmd, gewalst, en zelfs een traantje weggepinkt. Het duo “Tonight The Streets Are Ours” en “Cole’s Corner” drijft op synthstrijkers, en dan mag het alweer stevig, en vooral uitgesponnen in “Leave Your Body Behind You”.
Was dit de perfecte set voor dit uur? Wees maar zeker. Dat weet je wanneer Hawley “Heart Of Oak” precies op tijd stillegt; de set zit erop. “Should we rock some more?”, vraagt hij uitdagend. “Okay? Fuck it!”, en hij gooit er nog een potige coda achteraan. Geen mens maakte bezwaar, niemand sleurde de band, zoals hij zelf speels vreesde, het podium af. En maar goed ook. Zoveel schoonheid verdiende alle ruimte.
Eefje De Visser begon haar set na een gortdroge aankondiging van presentator Kirsten Lemaire. “Hallo Cactus! Voor wie haar nooit eerder zag: Eefje zal je betoveren” – en dat was het. Een voorbode voor de duidelijke tweedracht die de Nederlands-Belgische popprinses zou zaaien. Enerzijds de oudere garde die zich koppig bij vijfendertig graden in de zwarte jeansbroek hijst en daartegenover de jeugd, niet vies van onversneden pop als festivalheadliner.
Maar versta ons niet verkeerd. De Visser weet dat ze hier headliner is, en ze draagt die rol met verve en klasse. Deze show is een totaalspektakel: het podium omgetoverd tot een soort droompaleis in de wolken, wat nog versterkt wordt door de visuals: voorbijdrijvende cumulusjes doen ons duizelen, flitsende snelwegverlichting jaagt de hartslag omhoog. De opstelling waarbij ieder lid zijn eigen platform heeft, is geschikt om ook te werken op de grootste podia, maar schept ook meteen een nadeel. Akkoord, iedereen zit op zijn eigen wolk, maar dat creëert natuurlijk niet echt een groepsgevoel onder de leden, iets wat altijd afstraalt op de toeschouwers. Natuurlijk zijn er ook de sierlijke choreo’s en outfits. De hagelwitte outfit van De Visser doet haar stralen als een engel, en de achtergrondzangeressen dragen een grijs equivalent waardoor ze de vertraagde schaduw van de zangeres belichamen. We kijken onze ogen uit.
En zo brengt De Visser de bekendste hits uit haar ‘Eefje 2.0’-tijdperk van de afgelopen jaren. Ze opent met nieuwe single “Onomkeerbaar”, gevolgd door “De Parade” en het zweverige “Tegenlicht”. Lang moeten we ook niet wachten op andere publiekslievelingen “Vlammen” of “Zwarte Zon”. Het is een flinke stap weg van de donkere indiemuziek die ze in het begin bracht, maar wel pop uit de hoogste divisie. Haar teksten dragen ook bij tot het verheven duizelend sfeertje. De verzen klinken als losse hersenspinsels, soms bijna met de klasse van Spinvis, zoals in “Tegenlicht”.
Ook in dit recentere werk blijkt er echter een duidelijke evolutie te zitten. Waar de nummers vanop Bitterzoet nog blijk geven van indiepop – de Visser met gitaar speelt met ritme en cadans zodat we bijvoorbeeld in de outro van “Heimwee” haast een perfecte spanningsboog uit het werk van Thom Yorke herkennen – trekt ze met Heimwee volledig de kaart van pop voor de grote massa. Dit valt extra op door de festivalmix van het geluid met brutaal opgepompte dancebeats – wij horen aan het einde van “Tegenlicht” zelfs een flinke scheut Robin Schultz. En daar zaait de Visser blijkbaar het meeste die verdeeldheid waarvan voorheen sprake. Zij die hiervoor kwamen, geven beleefd blijk van herkenning, maar de neutrale luisteraar kijkt al eens met veelzeggende blik om zich heen. Te clean en te licht voor de stugge Bruggelingen. Nu goed, voor of tegen, we kwamen wel massaal kijken en bleven staan tot het eind. De Nederlandse mag dus voorzichtig victorie kraaien.
Nog een uurtje later pakken jong en – toch overwegend – oud samen voor de nostalgietrip van de avond. dEUS brengt zijn succesdebuut Worst Case Scenario integraal. Het decor van ondersteboven opgehangen antieke lampenkappen die een bruingele gloed afgeven, wekt de sfeer van een donkerbruine zeemanskroeg op zoals die geëvoceerd werd op die albumhoes van Rudy Trouvé. De ex-gitarist is er zelf niet bij, maar deze dertigste verjaardag wordt verrassend genoeg wel gevierd met de hereniging van Tom Barman en Stef Kamil Carlens, waarover later meer.
Zoals beloofd krijgen we dus elk nummer vanop die debuutplaat, zij het niet in volgorde gespeeld. Het vijftal trapt af in de gekende huidige bezetting met de Noorse Simen Følstad Nilsen als vervanger van Mauro Pawlowski. “Jigsaw You” en “Via” krijgen de eer de vloer te openen en bij nummer drie, “W.C.S. (First Draft)”, gaan de harten sneller slaan: halverwege komt Carlens op om de song te voorzien van zijn schuurpapieren tweede stem. “It’s the first draft, of a worst case scenario!”, brult het Minnewaterpark als uit één mond. Het tempo gaat verder de hoogte in met het dwarse “Morticiachair”, en na dit eerste kwartier mag duidelijk zijn: dEUS is intussen uitgegroeid tot een retestrakke machine dankzij de stalen ritmeruggengraat van Stéphane Misseghers en Alan Gevaert, maar weet gelukkig de avant-gardistische chaos van deze oude nummers op te wekken zonder te verzanden in het zootje ongeregeld dat het soms werd in de nineties. Met veel dank aan de hoekige gitaarlijnen van Carlens en de manische viool van Klaas Janszoons – deze laatste gehuld in een badjas van zijn grootmoeder. Alles oké verder, Klaas?
Dan komt het nieuwe bloed voor het eerst aan het raam tikken: in het nochtans ingetogen “Secret Hell” geeft Nilsen een gitaaroutro die zijn grote klasse en eigenheid etaleert; we horen haast Nels Cline van Wilco. Doe daarbij de jammerende verzen van Carlens’ “Don’t I only scare myself?”, en wij vechten tegen een traan. Het kalmere middenblok wordt vervolledigd door “Right As Rain”, waarin Barman helaas wel op de limieten van zijn stem botst. Terug de vlam in de pan dan met “Mute”, het heerlijk van de pot gerukte “Shake Your Hip/Great American Nude” en de bijna als postrock aanvoelende trage atoombom “Let’s Get Lost”.
Tijd voor de prijsbeesten dan. “Hotellounge” wordt toch een beetje aarzelender dan verwacht gebracht, maar hierna staat de boel moeiteloos in lichterlaaie bij “Suds & Soda”. Gewoon al die “Friday” geroepen door the OG Stef Kamil Carlens bezorgt ons kippenvel over heel het lijf; wij hebben het rondje solo’s waarbij ieder lid gepresenteerd wordt tijdens de break hiervoor niet eens nodig.
Het maffe swingblues-fantasietje “Divebomb Djingle” sluit net als op de plaat af, hetzij wel in een iets meer uitgerekte versie waarin we achteraf gezien eigenlijk al duidelijk horen wat Carlens toen muzikaal wou maken: Moondog Jr. is niet ver weg. Nog een laatste woordje over hem trouwens, alvorens hij het podium zou verlaten. Wij zien geen wrok, geen verplicht huwelijk, geen gevoel van “Tom heeft mij op zijn feestje gevraagd en ik kom dan maar het verplicht nummertje brengen wat van mij verwacht wordt.” Carlens geeft zich met hart en ziel, evenveel hart en ziel die uiteraard in al deze nummers schuilt en ze tot ongekende hoogtes wist te verheven, en dat voelen we. Geen gimmick dus, maar een unieke ervaring voor de fans van het eerste uur.
Net als bij de verjaardagstournee van The Ideal Crash krijgen we na de plaat nog even een dessertbuffetje aan klassiekers voorgeschoteld. “Roses” en dansen bij “Fell of the Floor, Man” mogen niet ontbreken, en in de bisronde van “Instant Street” valt vooral de Noorse lawine van Nilsen op: wat een groove, wat een kracht. Wij kijken likkebaardend uit naar dat nieuw werk in het najaar.
Moe maar gelukkig druipen wij af. Op een dag die alle hoeken van het muziekspectrum liet zien waren we soms wat verward, maar de kloppende hartslag in de keel, buik en voeten bewijst toch dat zo’n dagje in het Minnewaterpark harstikke betoverend kan zijn. Wij trippelen dansend weg in de eeuwenoude Brugse binnenstad, de duisternis in.



