Ossip Zadkine en België :: KMSKA – Antwerpen

De kunstgeschiedenis heeft een voorkeur voor grote namen en grote hoofdsteden. Parijs geldt als het kloppende hart van de moderne kunst, maar Brussel en zeker ook Antwerpen speelden een opmerkelijke rol in het parcours van Ossip Zadkine (1888-1967). “Les Belges étaient mes premiers amateurs”, verklaarde Zadkine ooit.

Foto: KMSKA

Met de tentoonstelling Ossip Zadkine en België rondt het KMSKA voorlopig een bijzondere reeks af waarin de beeldhouwkunst centraal staat. Na de Britse beeldhouwer Antony Gormley en de Antwerpse kunstenaar Philip Aguirre y Otegui – wiens tentoonstelling nog tot 17 januari 2027 loopt – is het nu de beurt aan Zadkine: een in het toenmalige Russische Rijk geboren kunstenaar die eveneens sterke banden met Antwerpen onderhield. Drie beeldhouwers, drie uiteenlopende artistieke trajecten en achtereenvolgens Britse, Antwerpse en Russisch-Franse perspectieven op de kracht en mogelijkheden van sculptuur.

Met uitzonderlijke bruiklenen, een na 98 jaar herenigde beeldengroep en een zeldzaam tentoongesteld beeld toont het KMSKA onder meer hoe Zadkines banden met België een cruciale rol speelden in zijn artistieke ontwikkeling. Tegelijk werpt de tentoonstelling een nieuw licht op zijn sculpturale vernieuwing en op de vaak onderschatte bijdrage van zijn echtgenote, kunstenares Valentine Prax. Met Ossip Zadkine en België brengt het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen (KMSKA) die vroege erkenning eindelijk in een ruimer perspectief.

De tentoonstelling verenigt ongeveer 130 sculpturen, tekeningen, gouaches, grafiek, foto’s, brieven en archiefstukken. Het resultaat is meer dan een retrospectieve van een invloedrijk modernist: het is een onderzoek naar de netwerken die artistieke vernieuwing mogelijk maken. Want Zadkine ontwikkelde zijn eigenzinnige beeldtaal niet in een vacuüm. Galeriehouders, verzamelaars, critici en bevriende kunstenaars hielpen zijn werk zichtbaar te maken en gaven het een publiek dat bereid was de grenzen van de traditionele beeldhouwkunst te verleggen.

Zadkines artistieke parcours begon met klei en hout, maar ook met zijn opleiding tot meubelmaker. Als kind experimenteerde hij met klei uit zijn geboortestreek en later leerde hij in Groot-Brittannië van zijn oom houtsnijden. Die ervaring legde de basis voor zijn voorkeur voor de taille directe: rechtstreeks in hout of steen werken, zonder de vorm volledig vooraf vast te leggen. De kunstenaar volgt daarbij niet alleen een idee, maar gaat ook de confrontatie aan met de weerstand en de mogelijkheden van het materiaal.

Na zijn vestiging in Parijs kwam Zadkine in contact met de internationale avant-garde. Hij raakte bevriend met Amedeo Modigliani en ontmoette Pablo Picasso. De academische opleiding bood hem weinig artistieke vrijheid. Hij wilde de werkelijkheid niet nabootsen, maar haar heruitvinden. De invloed van het kubisme is herkenbaar in de geometrische vereenvoudiging en de ontleding van volumes, maar Zadkine liet zich niet door de theorie beperken. Zijn sculpturen behouden een organische beweeglijkheid en een emotionele intensiteit die ze onderscheiden van een louter geometrische constructie.

Dat wordt zichtbaar in zijn gestileerde menselijke figuren, waarin hoekige en afgeronde vormen elkaar afwisselen. De terugkerende amandelvormige ogen geven tal van zijn sculpturen, zoals “Hoofd van een Vrouw”, uit 1924, uitgevoerd in kalksteen en inlegwerk, en “Hoofd van een Man”, uit 1928, vervaardigd uit gepolychromeerd hout, een geconcentreerde, soms meditatieve en bijwijlen haast ondoorgrondelijke uitstraling. De verwantschap met Modigliani is voelbaar, maar bij Zadkine dient de vervorming vooral om de innerlijke spanning van een figuur tastbaar te maken. Anatomische correctheid maakt plaats voor expressie; vereenvoudiging wordt geen verarming, maar een manier om de essentie scherper te stellen.

In 1920 werd Zadkines werk voor het eerst in Antwerpen tentoongesteld, op uitnodiging van de Brusselse Galerie Sélection. Zijn vernieuwende vormentaal vond hier vroegtijdig weerklank. Dat België een ontvankelijk klimaat bood, was geen toeval. In het interbellum ontstond een levendig netwerk rond de internationale avant-garde, met galeriehouders en pleitbezorgers als André De Ridder en Paul-Gustave van Hecke.

Na zijn eerste tentoonstelling in Antwerpen in de zomer van 1920 was Zadkine niet meer weg te denken uit het Belgische kunstcircuit. Al in september exposeerde hij bij de Brusselse galerie Le Centaure. In Ossip Zadkine en België worden dan ook tal van werken samengebracht die zijn band met de Belgische kunstwereld en zijn verwantschap met de Vlaamse expressionisten illustreren. Naast Zadkine zijn er werken te zien van onder anderen Gustave De Smet, Jozef Cantré, Karel van de Woestijne, Edgar Tytgat, Constant Permeke en Frits Van den Berghe. Zij maakten deel uit van een kunstwereld waarin de grenzen tussen modernistische stromingen voortdurend werden afgetast.

Hoewel Zadkines werk niet zomaar onder het expressionisme valt, deelt het met die stroming de overtuiging dat kunst méér moet doen dan de zichtbare werkelijkheid weergeven. Vorm en vervorming moeten een innerlijke ervaring overbrengen. In 1933 volgde in het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten, het huidige BOZAR, zijn eerste grote retrospectieve. België was dus niet alleen een afzetmarkt, maar ook een actieve schakel in zijn internationale erkenning.

Ossip Zadkine en België maakt die ontwikkeling overtuigend inzichtelijk. De tentoonstelling laat zien hoe kunstgeschiedenis niet uitsluitend door individuele genialiteit wordt geschreven, maar ook door mensen die vernieuwend werk durven tentoonstellen, verzamelen en verdedigen. De Belgische connecties zijn daardoor geen voetnoot bij Zadkines Parijse carrière, maar een wezenlijk onderdeel van zijn artistieke geschiedenis.

De sculpturen zelf vormen uiteraard het overtuigendste argument. “Pomona” (1926), een koperen beeld uit de collectie van het KMSKA, schittert op een prominente plaats in de tentoonstelling. Het verwijst naar de Romeinse godin van de boomgaarden. Zadkine maakt van dat klassieke onderwerp echter geen academische allegorie. De menselijke gestalte wordt herleid tot krachtige volumes en gestileerde vormen, waardoor het beeld balanceert tussen herkenbaarheid en abstractie. De klassieke inspiratie blijft aanwezig, maar wordt onderworpen aan een uitgesproken moderne vormentaal. Dat “Pomona” deel uitmaakt van de eigen collectie van het museum, geeft het werk bovendien een bijzondere plaats binnen de geschiedenis van Zadkines Belgische contacten.

Een andere blikvanger is beslist de sculptuur “Le Fauve” (in het Nederlands vertaald als “Roofdier”), een van de belangrijkste en meest gewaardeerde vroege houten beelden van Zadkine. “Roofdier” uit 1921 was in 1933 al te zien in het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten. Het imposante beeld stamt uit de periode waarin Zadkine volop experimenteerde met het kubisme en de expressieve kracht van primitieve kunst. Het volledig uit hout gesneden beeld is opvallend luxueus afgewerkt. De vergulding met bladgoud verleent het een mysterieuze, bijna sacrale glans, die prachtig contrasteert met de hoekige, robuuste vormen van het dier.

Het beeld wordt vrijwel nooit uitgeleend, maar werd voor deze tentoonstelling, na nadrukkelijk aandringen van curator Van Passel, bij hoge uitzondering aan het KMSKA uitgeleend. De centrale opstelling van dit imposante sculptuur in een van de zeven zalen benadrukt de geladen aanwezigheid van het werk. Kortom, “Roofdier” is onweerlegbaar een van de sterkste troeven van de tentoonstelling Ossip Zadkine en België.

Bijzonder opmerkelijk is bovendien dat het KMSKA er speciaal voor deze overzichtstentoonstelling in geslaagd is de monumentale beeldengroep “Job en zijn Vrienden” uit olmenhout, gemaakt in 1913-1914, te herenigen. Oorspronkelijk bestond de groep uit afzonderlijke sculpturen. Zadkine zocht jarenlang naar de juiste compositie om ze samen op één sokkel te plaatsen.

Bij de samenstelling van de groep viel een van Jobs vrienden, de Bijbelse figuur Elihu, weg.

Foto: KMSKA

Deze sculptuur verkocht Zadkine afzonderlijk, waarna ze van de radar verdween. Dankzij grondig onderzoek en het intensieve speurwerk van curator Véronique Van Passel werd het beeld alsnog teruggevonden in een privécollectie. Zo kon het na 98 jaar voor het eerst opnieuw met de overige sculpturen uit de oorspronkelijke groep worden herenigd. Ook dit vormt een opmerkelijk hoogtepunt van de tentoonstelling.

Deze hereniging maakt het trouwens mogelijk het werk opnieuw in zijn oorspronkelijke samenhang te ervaren en illustreert tegelijk hoeveel onderzoek nodig is om de geschiedenis van kunstwerken te reconstrueren. Uit dankbaarheid voor wat Antwerpen voor hem betekende, besloot Zadkine in 1936 Job en zijn vrienden definitief aan het KMSKA te schenken.

De aandacht die het museum ook besteedt aan Valentine Prax (1897-1981), Zadkines echtgenote en zelf kunstenares, is een belangrijke aanvulling op de tentoonstelling. Te vaak verdwijnen vrouwelijke kunstenaars uit beeld wanneer ze verbonden zijn met een beroemde mannelijke collega. Prax had een eigen artistieke persoonlijkheid en een zelfstandig oeuvre, dat niet mag worden gereduceerd tot een biografische voetnoot. Dat wordt hier nadrukkelijk onderstreept door de presentatie van werken als “Het Atelier van de Schrijnwerker” (olieverf op doek) en “Muzikanten en Danseressen”, twee achterglasschilderingen.

Het paar trouwde in 1920. Ook Prax stelde haar werk voor het eerst in België tentoon. Daarnaast droeg ze een belangrijke verantwoordelijkheid voor de financiële en organisatorische aspecten van hun kunstenaarsbestaan. Tijdens de Tweede Wereldoorlog bleef ze in Frankrijk achter om Zadkines oeuvre te bewaren, terwijl hij naar de Verenigde Staten uitweek.

Haar bijdrage was dus niet alleen praktisch, maar essentieel voor het behoud van zijn artistieke nalatenschap. In de traditionele kunstgeschiedenis blijft die rol vaak onderbelicht. Door ook haar kunst te tonen, verruimt het KMSKA het perspectief: niet alleen Zadkines artistieke ontwikkeling verdient aandacht, maar ook het zelfstandige kunstenaarschap van de vrouw die haar leven en werk zo nauw met het zijne verweefde.

Zadkines speciale band met België bleef ook na de Tweede Wereldoorlog bestaan. Hij raakte betrokken bij de ontwikkeling van het Middelheimmuseum en adviseerde samen met Henry Moore over de uitbouw van het openluchtmuseum, in samenwerking met de Antwerpse burgemeester Lode Craeybeckx. Die betrokkenheid past bij zijn opvatting van sculptuur als een driedimensionale aanwezigheid die zich niet tot één gezichtspunt laat beperken.

Een beeld vraagt om de toeschouwer die eromheen beweegt: de verhoudingen veranderen naargelang de kijkhoek, terwijl licht en omgeving de volumes telkens anders laten spreken. In een openluchtmuseum wordt die wisselwerking nog versterkt door het veranderende daglicht en de natuur. De sculptuur treedt uit de beslotenheid van de museumzaal en wordt onderdeel van het publieke leven.

De aanwezigheid van werk van internationale tijdgenoten als Marc Chagall, Jacques Lipchitz en Modigliani plaatst Zadkine bovendien binnen een bredere avant-gardistische context. De tekeningen, gouaches en grafiek tonen dat zijn zoektocht naar vorm en expressie zich niet tot de beeldhouwkunst beperkte. Ze maken duidelijk hoe hij experimenteerde met lijn, ritme en compositie, en hoe verschillende technieken elkaar binnen zijn oeuvre aanvulden.

Ossip Zadkine en België is meer dan een overzicht van het oeuvre van een invloedrijke beeldhouwer: het is ook een overtuigend eerbetoon aan een van de markantste vernieuwers van de twintigste-eeuwse beeldhouwkunst. De tentoonstelling corrigeert een te eenzijdig op Parijs gericht kunsthistorisch verhaal en toont hoe Brussel en vooral Antwerpen actief bijdroegen aan de ontwikkeling en erkenning van de moderne beeldhouwkunst én aan Zadkines artistieke parcours. Soms ligt de sleutel tot een internationale carrière niet alleen in een grote kunstmetropool, maar ook in de plaatsen waar mensen als eersten bereid zijn het vernieuwende potentieel van een kunstenaar te herkennen.

Ossip Zadkine en België loopt van 31 oktober 2026 tot en met 18 april 2027.

De tentoonstelling is te zien in Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen (KMSKA), Leoppold De Waelplaats, 1 te 2000 Antwerpen. Alle dagen open van 10 tot 17u (op zaterdag en zondag van 10 tot 18u). Alle info via de website van het KMSKA.

recent

Godzilla Minus Zero (Gojira Mainasu Zero)

In 2023 pakte Takashi Yamazaki uit met Godzilla Minus...

Ramayana: Rise of a Legend

Dit groots opgezette Hindi-spektakel is dermate gericht op een...

Quelques Mots d’Amour

Jong meisje wil meer weten over haar afwezige vader,...

verwant

Philip Aguirre y Otegui :: KMSKA – Antwerpen

Luk Lemmens en Carmen Willems, respectievelijk voorzitter en algemene...

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in