Geese :: Projector

Believe the hype: Projector van Geese is een verfrissend en veelbelovend gitaardebuut.

De vijf van Geese komen uit Brooklyn en maken al jaren muziek in de tot studio omgebouwde kelder van drummer Max Bassin, die ze liefdevol tot ‘the nest’ omdoopten. Hoewel ze net de schoolbanken achter zich hebben gelaten en dus nog piepjong zijn, had Projector net zo goed hun laatste wapenfeit kunnen zijn: het plan was om nog één keer alles eruit te persen alvorens ze elk naar een andere universiteit of levensdoel zouden uitvliegen.

Maar het liep dus anders. Hun album kwam terecht in de handen van de juiste mensen en is nu een van de grootste hypes in gitaarland. Projector werd gemixt door de in artistiek meer uitdagende indiemilieus onvermijdelijke Dan Carey, die eerder ook al achter de knoppen zat bij Squid en Fontaines D.C.

Zoals dat gaat bij achttienjarige hemelbestormers die er alles uit willen persen, zit er héél veel in dit album. De muziek op dit album getuigt van een charmante nonchalance en schiet vele kanten uit. Opener “Rain Dance” schiet furieus uit de startblokken met zanger Cameron Winter die luid moet gillen om boven de herrie uit te komen. Meteen daarna, in het verleidelijke “Low Era”, klinkt hij als een jonge Mick Jagger en neemt de band gas terug om de groove te zoeken die je in een nummer als “Disco” had verwacht, maar niet kreeg. In plaats daarvan krijg je op het laatstgenoemde nummer een trage opbouw van een kale basdrum, waarna morsige gitaarlijnen op je all stars druipen en Winter weer moet opboksen tegen erupties van noise en mishandelde pianotoetsen. Sturm und Drang heet dat dan, en ook: drie nummers voor de prijs van één.

Maar over het algemeen vaart Projector onder de vlag van de postpunk. Denk daarbij minder aan de donkere variant van Interpol, maar eerder aan die andere gehypete band uit Brooklyn, wiens monsterlijk invloedrijke debuut verscheen toen de leden van Geese nog niet geboren waren en waarvan Alex Turner luidop droomde lid te willen zijn. Op “Fantasies/Survival” klinkt frontman Winter dankzij zijn van ennui druipende delivery als Julian Casablancas en de gitaarlijnen als een update van “Someday” tot ook dit nummer na drie minuten een radicaal andere wending neemt richting de gecontroleerde chaos van black midi (ook al zo een Dan Carey-band).

Nochtans kunnen ze ook songs met een duidelijke focus schrijven, zoals het dromerige “First World Warrior”. Winter vertoont een verrassend helder inzicht in de psyche van wie lijdt onder eerstewereldproblemen: ‘I can apologize, but I will not change / I have the stomach, I don’t have no gut’. Afsluiter “Opportunity is Knocking” wisselt springerige slag- en pianoritmes achteloos af met psychedelische intermezzo’s alsof Syd Barrett even de studio binnen kwam gevlogen. Mocht dat u als chaos lijken, weet dan dat het vooral opwindende chaos is.

I’m falling on my ass / ‘Cause some aren’t meant to leave the nest’ zingt Winter in het zes minuten lang geweldig aanslepende “Exploding House”, maar daar hoeft hij zich geen zorgen over te maken. Kregen The Strokes twintig jaar geleden al het verwijt de rockgeschiedenis respectloos te plagiëren, dan hebben ze de oude zakken hun ongelijk bewezen. Als wij nu vinden dat Geese The Strokes of andere Brooklynbands recycleert, wel, dan moeten wij in de spiegel kijken en onze conclusies trekken. Laat de jeugd van Geese dus gerust hun ding doen. Ze bewijzen op Projector dat ze dat goed doen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zeventien − elf =