We zijn hier weer, op dit fijne Britse festival aan het einde van de weg. End of the Road is vier dagen rondlopen op een klein Utopia, een kleine wereld op zich beleven. Een wereld zonder bereik, zonder reclame, tussen de groene Britse velden. Je omringd weten met een publiek van teenage goths, Camden-jongens en -meisjes, oude Britse hippies en middenklasse-ouders met kinderen die zich hier nog een weekend jong voelen.
Geen wonder dus dat hier een klerenwinkel voor hot dads is. De rode draden doorheen dat diverse publiek? Alternatief, open, warm. Sommigen komen hier al twintig jaar. Het festival viert dit jaar immers zijn twee decennia hier in the middle of nowhere, met sommige namen die al even lang meegaan en bij de incrowd meerdere belletjes doen rinkelen. Al wil dat niet zeggen dat het festival niet vooruit kijkt, naar de artiesten van morgen en zelfs overmorgen.
Donderdag 3 september :: bruut ontwaken
Voor dat soms beetje brave publiek was YHWH Nailgun, noiserockers uit New York, een extreem brute opener hier op de eerste avond. Je omarmt de totale chaos of haat het uit de grond van je hart. Ze maken het soort alle kanten uit schietende muziek dat je live doet beseffen hoe moeilijk het is om zo chaotisch te klinken. Hier zag je een ultrastrakke drummer aan het werk, een gitarist die onzalige dingen op zijn instrument doet en een zanger die zich liet gaan op een bedje van dat alles. Een betere setting was een kraakpand om middernacht geweest, maar we doen het met deze zonsondergang. Voor ons werkte het, een halfuurtje lang. We gingen van elektrische shock naar shock, van anderhalve minuut kopstoot naar kopstoot. Maar daarna was het vat wel af. Gelukkig dus bijna dat de band twintig minuten te vroeg het podium verliet. Wie maalt hier om songtitels? Wij zijn wakker.
Intussen merken wij wel wat veranderingen aan het festivalterrein. Schermen aan de mainstage! En extra tentzeilen boven de houten bankjes! En matten tegen de modder! Wat is dit, Werchter? Heeft Live Nation stiekem een bod gedaan op dit alternatief eiland waar je nergens reclame ziet en je bijna schaamt als je een blikje cola opentrekt? Het oogt hier bijna als een professioneel festival – een gevolg van de moddereditie van vorig jaar? Gelukkig heeft End of the Road nog genoeg onzin in zich om een bos vol psychedelische kunst te hebben, inclusief een haaienkop uit papier-maché aan het uiteinde van de minigolf. En om de synth-muziek van Dave Welder te programmeren. Of we moeten dit heel serieus nemen of juist helemaal niet. Wij kozen voor optie twee en hadden – denken we – meer plezier. Deze set was tegelijkertijd heel nerdy en heel kinderlijk, in de beste traditie van Jean Jacques Perrey. Wat niet wil zeggen dat wij dit een uur volhielden. Trouwens, er moest plek vrijgehouden worden voor het hoofdpodium, The Woods.

Wij gaan hier immers niet contrair doen: Geese, de headliner voor vanavond, was briljant. Briljant opgebouwd, met songs die op briljante wijze naar een hoger niveau getild werden – en wij zijn maar medium fan. Schoot ons door het hoofd: er schuilt een heel goeie doowopband in Geese – op de manier dat The Velvet Underground ergens heel klassieke rock-‘n-roll schreef onder al die noise, of Frank Zappa zijn Ruben and The Jets had. Het publiek was mee, de band rook de anticipatie van hier voor alternatief eigen publiek te headlinen in open lucht. En Cameron Winter en de zijnen grepen het moment, hongerig en jong als ze zijn. Winter was trouwens de perfecte zwijgzame mooie jongen met het ongewassen haar. Tegen nummer drie was het publiek ingepakt. Waar hun repetitieve riffs op plaat soms als pretentieus kunnen overkomen, sleepten diezelfde riffs je live helemaal mee. En klinkt de zang van Winter op plaat al eens neuzelend, hier trok hij je helemaal mee in zijn soms abstracte wereld. En smokkelen deze ganzen altijd een noiseriffende versie mee van Pink Floyd (“Interstellar Overdrive” uit dat magische debuut) in “2122” of alleen als ze headlinen in de UK? “100 Horses” was vinnig, “I See Myself” werd massaal meegebruld. Maar ook tragere songs als “Au Pays du Cocaine” werden meegezongen. Alleen het lang uitgesponnen “Long Island City Here” was misschien een brug te ver. Gelukkig was vaste afsluiter “Trinidad” een bom, in de auto, op de snelweg, aan 200 per uur. Op de twintigste verjaardag van het festival had de toekomst op de eerste avond al gewonnen. Het verleden gaat serieus uit zijn kast moeten komen.



