Low :: Hey What

Het cliché wil dat een band slechts drie goede albums in zich draagt alvorens weg te glijden in middelmatigheid. Of erger: alvorens krampachtige vernieuwingspogingen uitmonden in vormexperimenten die een gebrek aan inspiratie verdoezelen. 13 albums en 28 jaar ver in hun carrière slagen Mimi Parker en Alan Sparhawk – samen Low – er echter in om uit te breiden wat ze doen zonder daarbij uit het oog te verliezen wie ze zijn. 

Weinigen doen het hen na: drie decennia lang de hindernissen van het huwelijksleven bedwingen en met een jaloersmakende consistentie platen uitbrengen zonder ooit in te boeten aan kwaliteit. Minimalistisch, met een tot op het bot afgekloven sound, debuteerden ze  in 1994 alweer  met pareltje I Could Live In Hope. Meer dan wat delicate drumkwasten op een snare, een trage baslijn en twee stemmen die spaarzaam hun zinnen prevelden had het niet om het lijf, maar de aantrekkingskracht op de Stille Introvert en Duyster-adept bleek onontkoombaar. Hoe stiller iemand speelt, des te dichterbij we als toehoorder leunen om de geluiden op te vangen die er wél zijn. Een klank die de tijd krijgt om langzaam uit te doven, biedt witruimte die gevuld kan worden met eigen gedachten. Hey What verdient nog steeds diezelfde focus. Luister dus naar elk nummer als naar het geluid van een vallende speld, zelfs al liggen de referentiepunten vandaag dichter bij My Bloody Valentine dan Red House Painters. 

Lang doet het duo niet wachten op een intentieverklaring. De eerste halve minuut van “White Horses” klinkt meteen alsof Alan zijn taak als gitarist combineert met een job in de metaalbewerking, gevolgd door een staccatoritme dat als morsecode gaatjes in de track prikt. De zware drone en distortion halverwege zouden verlammen, mocht er geen bedwelmende schoonheid doorheen schemeren. Dat brengt ons meteen tot de clou van het verhaal: wie zich de moeite getroost dit album door een degelijke hoofdtelefoon te beluisteren, merkt hoe de composities en elegante harmonieën overeind blijven tussen het tumult. Single “More” start dan wel met het soort dinosaurusriff die je eerder verwacht van Sleigh Bells, maar is bovenal verdomd catchy door Parkers talent een “la la la” uit de lucht te plukken en er een instant oorwurm van te maken.

Hoe zijn we hier in hemelsnaam aanbeland? Hoe vervelt een Mormoons echtpaar uit Minnesota van ‘slowcore-pioniers’ (een term die ze zelf haten) tot experimentele rebellen die niet verlegen zitten om een gemutileerd geluid meer of minder? Heel organisch, zo blijkt. Doorheen de stoet van producers en muzikanten die tijdens hun carrière een inbreng leverden, bleven ze steeds de hand uitsteken naar de ongrijpbare horizon. Daar waar “some kind of madness” en “the face of the unknown” (“Disappearing”) zich schuilhouden, vonden ze de ruimte om hun sonische texturen uit te diepen.

Kantelpunten waren onder meer The Great Destroyer (2005) en Drums And Guns (2007) die demonstreerden hoe maximalistisch hun minimalisme kon klinken. Een oude klassieker als “When I Go Deaf” doet tandsteen verbrokkelen wanneer de ingehouden spanning halverwege tot uitbarsting komt. Het uitstekende Ones And Sixes (2015) markeert dan weer de eerste samenwerking met producer BJ Burton (Bon Iver) en zijn speeltuin vol elektronische klankeffecten. In 2018 – toen we dachten dat de toestand onmogelijk nog hopelozer kon worden  leidde dat verbond tot het alom bejubelde Double Negative: een sprong in het donker, in elke betekenis van het woord. Existentiële wanhoop druipt er van de zwaar vervormde stemmen die tussen de golven van digitale ruis verdwijnen, maar zelfs daar vindt het licht nog een sluipweg. Altijd weer is er die zoektocht naar betekenis, het zich vastklampen aan absurde hoop in een zee van radeloosheid.

Hey What borduurt verder op die radicale geluidsexperimenten, maar laat meer van dat licht binnenstromen. Adempauzes zijn niet nodig: de gons van distortion werkt eerder hypnotiserend dan desoriënterend door de wijze waarop die in het geheel vervlochten zit. Onder hun nieuwe geluid heerst een evenwicht tussen spanning en sereniteit, tussen schoonheid en dissonantie, tussen snerpende, industriële uitbarstingen en etherische soundscapes.  Een nummer als “Days Like These” leunt het dichtst aan tegen de klassieke Low-sound met een kristalheldere harmonie, tenminste tot de gitaren gaan knarsen en schuren. Het klinkt als een tedere hymne die door Kevin Shields door de betonmolen werd gehaald, maar het wérkt wel. Eveneens aangrijpend zijn de glimpen die we opvangen van een gedeeld leven met de nodige highs en (sorry) lows. “All Night” en “I Can Wait” tonen hoe het voelt iemand bij te staan die worstelt met depressies (“I would give you a break / help you carry the weight”), terwijl het pakkende “Don’t Walk Away” verslag uitbrengt van een gedeeld leven: “I have slept beside you now / for what seems a thousand years / a shadow in your night / the whisper in your ear”

“So don’t walk away / I cannot take anymore / Won this game / I cannot play anymore” gaat het licht hartbrekend verder. Trouwe fans kunnen enkel hopen dat het spel nog heel lang zal worden gespeeld, want de muzikale chemie tussen Parker en Sparhawk vormt de onverwoestbare kern van Lows DNA. Zolang hun stemmen zich rond elkaar wikkelen als een dubbele helix maakt het niet uit dat het lijkt alsof iemand John Denver met een droneband heeft versmolten. Hey What is een complete plaat die blijft prikkelen in al zijn paradoxen: bedrieglijk luid, vernieuwend en toch vertrouwd. Het is een plaat waarop een simpele drumslag die na drie minuten invalt (“The Price You Pay”) evenveel impact kan hebben als een zwaar door de mangel gehaald synthgeluid. Het is de plaat waarop een van de beste bands van de voorbije dertig jaar zich wederom meester toont van spanningsopbouw en intieme grandeur.

Low komt voor een tweede keer naar Trix (Antwerpen) op woensdag 4 mei 2022.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

20 + 7 =