Nick Cave & Warren Ellis :: Carnage

Acht jaar na zijn verschijnen blijkt Push The Sky Away een van de meest tijdloze platen van Nick Cave. Het leidde een trilogie in die van een bevlekte schoonheid had moeten zijn. Het eindigde echter met Ghosteen, schoonheid met een loden rouwsluier, maar zo fijnmazig dat er net voldoende hoop en zon door straalden. Een eindpunt inderdaad.

De rode draad door die trilogie was Warren Ellis, de man die de schoonheid van Caves muziek in de aangebroken herfst van diens carrière naar hartenlust bevlekt, bevuilt, bekleedt en laat bedwelmen. En dus ook de man die Cave uit Plato’s grot van rouw moet leiden om te zien wat er muzikaal en tekstueel hierna nog zoal te vertellen valt. Dat zoeken beiden uit op Carnage: de dag breekt immers weer aan na enkele nachtelijke jaren.

Die jaren hebben niet zomaar een steen verlegd in de rivier van Caves oeuvre, ze hebben de bedding helemaal verschoven. Wat eerst stroomde in Caves werk, klatert nu. Wat eerst wegwaste en -spoelde, klotst nu. Je kunt dat erg vinden. Talloos zijn de Cavevolgers immers die afhaakten op Ghosteen, met groeiend misprijzen voor Ellis en schuimbekkende nostalgie naar Blixa Bargeld en Mick Harvey. Zeggen dat ze dwalen, is flauw. Hun aanraden Carnage te doorgronden, is dat niet.

Het is ontzettend makkelijk te zeggen dat Cave rechtkrabbelt op Carnage, maar dat is de waarheid geweld aandoen. Cave is al rechtgekrabbeld door een louterende tour, door verhalen van mensen, door hun vragen en zijn antwoorden – en omgekeerd. Cave handelt in wijsheid als geen ander door te zeggen dat hij het allemaal ook niet weet. Alleen zoeken is frustrerend, samen zoeken is louterend. Die loutering zat nog diep onder de loden klank van Ghosteen, maar kruipt op Carnage door de ruimte die Cave tekstueel en Ellis muzikaal deze keer wel openlaten.

Dat is exact wat gebeurt op openingsnummer “Hand Of God”. “There are some people trying to find out why” croont Cave alsof hij een van z’n gesproken of geschreven dialogen met fans op pianomuziek zet, maar dan sleurt Ellis hem en de luisteraar mee in een rabbit hole van vervorming en muzikale grilligheid. “Hand Of God” is een op sinistere beats en koortjes pulserende koortsdroom, terwijl mooie strijkers als eb en vloed over de modder stromen. De beeldspraak van water, God en een koninkrijk in de hemel zal de hele plaat lang terugkeren. Zo stuurs en scherp klonk Cave niet meer sinds Grindermans tweede plaat in 2010.

En dat is wat Ellis op Carnage, of althans de eerste helft, lijkt te doen: Grinderman en de laatste trilogie door een ietwat verroeste vleesmolen draaien. Het resultaat is verfrissend en klinkt gewoon als de énige plaat die Cave na Ghosteen had kunnen uitbrengen. Dat de overige Bad Seeds geen rol spelen op een album dat vooral improviserend tot stand is gekomen, dikt de perceptie van een overgangsplaat nog wat aan. Maar het is een verdomd goeie overgangsplaat.

Het doet immers echt wel deugd weer vervormde, grillige klanken te horen als een schuurspons zoals op het weergaloze “Old Time”, met een Cave die uiteenstuivende beeldspraken debiteert met een kracht in z’n stem die we lang niet meer gehoord hebben. Een Cave die ook nog eens ouderwets uithaalt in “White Elephant”: “If you ever think of comin’ round here, I’ll shoot you in the fucking face” legt hij in de mond van een “White Hunter” die z’n eigen “White Supremacy”-ideologie tot z’n afgrijzen ziet smelten als een ijsblok in de zon. Het is verfrissend Cave zo expliciet naar sociopolitieke gebeurtenissen te zien verwijzen, zoals de Black Lives Matter-beweging en de dood van George Floyd.

“White Elephant” sluit een avontuurlijk eerste deel af, want wat volgt zijn vier songs die lepeltje liggen met wat Cave en Ellis deden op Skeleton Tree en Ghosteen. Op “Lavender Fields” haalt de troost het echter duidelijk van de mistroost, de loutering over het leven van de lusteloosheid na een mokerslag: “I’m travelling appallingly alone on a singular road / Into the lavender fields that reach high beyond the sky / People ask me how I changed, I say it is a singular road.” Strijkers, synths en koren biggelen door het nummer als warme tranen over een wang. Slotnummer “Balcony Man” vervelt langzaam tot een bloedmooie liefdesverklaring die de Boatman uit 1998 uitnodigt in het huis van Ghosteen uit 2019: “This morning is amazing and so are you” echoot hier al dagenlang in hoofd en hart.

Titelnummer “Carnage” ligt trouwens in datzelfde bedje mooi te wezen (die arrangementen weer). Maar in “Albuquerque”, dat heel nadrukkelijk de lockdown aanhaalt (“We won’t get to anywhere, darling / Unless I dream you there”) slaat de slinger toch weer door van melodie naar melodrama – net als in “I Need You” op Skeleton Tree en “Waiting For You” op Ghosteen. Het fnuikt de impact totaal. Cave mijmert beter dan dat hij jammert. En hij zoekt beter dan dat hij vindt: Carnage is ook tekstueel een overwegend zoekende plaat, van en over iemand die weer z’n draai moet proberen te vinden in een wereld die helemaal door elkaar geschud wordt, zoals dat met zijn leven zes jaar geleden was gebeurd. Maar er is altijd één zekerheid: de liefde, wat Carnage naar het einde toe weer doet vervellen tot een liefdesverklaring aan zijn vrouw.

Carnage zal wellicht een overgangsplaat blijken te zijn, maar er is haast geen muzikale en tekstuele zoektocht die vandaag relevanter is dan die van de 63-jarige Cave. De schurende schoonheid van Carnage lijkt nu al te verzekeren dat er nog geen einde komt aan een van Caves sterkste periodes in een steeds unieker oeuvre.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twintig − negen =