Oba Loba :: Pantufa Alcalina

Dit sextet rond het Portugese duo Norberto en João Lobo liet voor het eerst van zich horen in 2015 met Oba Loba, het soort album waar hokjesdenkers de tanden op kunnen stukbijten. Intussen is de band beland bij album #3, waarop duidelijk wordt dat de eigen sound en stijl  intussen een veilige thuisbasis vormen. En thuis, daar kan je dromen.

Door de combinatie van muzikanten – met naast de twee Portugezen nog altijd Giovanni Di Domenico, Jordi Grognard, Ananta Roosens en Lynn Cassiers – en instrumentatie van gitaar, bas, toetsen, klarinet, fluit, viool, fluit, zang en drums, beschik je natuurlijk over heel wat mogelijkheden. Die worden ook benut in een resem songs (eigenlijk al opgenomen in 2016) die het niet moeten hebben van onnodige complexiteit, maar een eigen droomlogica volgen. Verschillende songs worden opgebouwd rond eenvoudige, herhaalde motieven en belanden vervolgens bij statige, spontaan georchestreerde passages; ze voelen regelmatig aan als coda’s met een volwaardige status die tot in het oneindige zouden kunnen doorgaan, wentelen, rollen, zweven.

Mooi voorbeeld: de titeltrack die het album opent met een prachtig brokje zomerse onbekommerdheid. Het heeft iets fragiels en onschuldigs (vooral de combinatie van stem, klarinet en trompet), bijna zelfs de kinderlijke naïviteit van Maher Shalal Hash Baz. En net als je denkt dat het na twee aandoenlijke minuten afgerond wordt, krijg je een nieuwe beweging, en nog eentje, word je meegenomen door een droomlandschap dat de toon zet voor wat volgt. Kortere stukken als “Picadinho” en “Raposa Milenar” zijn al net zo opvallend, het eerste waarin een simpel motief wordt omspeeld met vrije invullingen, het tweede met een sober, haast etherisch geluid, met gitaar en viool als kern.

Je hoort in de muziek soms een statigheid die weggeplukt is bij kamermuziek, zoals bij “In The Box”, maar de ernst wordt meteen tussen haakjes gezet door een lichtjes zwalpende schuiffluit, met in de tweede helft dan een gracieus samenkomen van lagen viool. Die genereuze aanpak wordt verder gezet op de tweede albumhelft, waar “Oca Loca” door de verschillende stemmen en haast weggemoffelde gitaareffecten in een soort van exotische psych-pop duikt. Die lijkt halverwege helemaal te ontregelen, om zich dan te herpakken in een sjamanistisch getinte tweede helft, die op zijn beurt als springplank fungeert naar de laatste dromerijen van “Três Caixões Almofadados” en “Arauto da Sesta”, de schimmige afsluiter met zachtjes ruisende cimbalen, golvende klankstromen en Cassiers’ etherische stem als gids.

Pantufa Alcalina ligt helemaal in het verlengde van Oba Loba en Sir Robert Williams, en zoekt het nog meer bij de introspectie en verbeelding, die nu vormt krijgt binnen songs met afgelijnde ideeën én een gulle vrijheid. Je hoort een band waar niemand het laken voortdurend naar zich toetrekt. Het is net dat evenwicht, die combinatie van gelijkwaardige stemmen die ervoor zorgt dat het album even verrassend als herkenbaar is. Nieuw, en toch ook niet. Een beetje zoals aankomen op een plaats waar je nooit eerder was, maar die toch – door de geur, kleur of moeilijk te benoemen vertrouwdheid – aanvoelt als thuis. Dat maakt ook van deze derde Oba Loba een album om in te verdwijnen tijdens rustige nachten of ritten naar nergens in het bijzonder.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

18 + 18 =