The Burnt Orange Heresy

Wat maakt kunst tot kunst? Waarom waren werken zoals Equivalent VIII (Carl Andre) of Fountain (Marcel Duchamp) zo veel waard, wetende dat we spreken over respectievelijk een hoopje bakstenen en een gesigneerd urinoir?  In Guiseppe Capotondi’s tweede langspeelfilm The Burnt Orange Heresy, gebaseerd op het gelijknamige boek van Charles Willeford, wordt deze vraag redelijk cynisch beantwoord.  De film opent dan ook met de woorden “Kunst zou niet bestaan zonder kritiek”, alsof de gewone mens niet in staat zou zijn om kunst naar waarde in te schatten.  Pfff!

Aan het begin van de film horen we een vooraf goed ingestudeerde monoloog van kunstcriticus James Figueras (Claes Bang) die een groepje toeristen overtuigt om een kopie van een schilderij aan te schaffen. Dat lukt hem echter pas nadat hij er een heel verhaal rond fantaseert, want aanvankelijk lijkt niemand in de groep echt geïnteresseerd te zijn in het abstracte werk.  Figueras ziet het als zijn missie om via verzinsels waarde en betekenis te geven aan de simpel ogende penseelstreken.  Hij ziet zichzelf en alle andere kunstcritici dan ook als de oevers van een rivier die als taak hebben om de stroom, oftewel kunst, te kanaliseren en te controleren.  

Diezelfde ideeën en de beschuldiging van oppervlakkigheid (vaak inherent gekoppeld aan de kunstwereld) kwamen ook naar voren in Dan Gilroys Velvet Buzzsaw en Ruben Östlunds The Square (toevallig ook met Claes Bang in de hoofdrol), al was de toon in beide prenten luchtiger en meer doorspekt met satire.  The Burnt Orange Heresy kiest eerder het pad van de klassieke misdaadthriller, wat vrij snel duidelijk wordt als Figueras uitgenodigd wordt bij kunstkenner en -verzamelaar Jospeh Cassidy (Mick Jagger) die een riant optrekje heeft aan de rand van het Comomeer.  Eenmaal daar aangekomen valt Cassidy meteen met de deur in huis door te vertellen dat de befaamde schilder Jerome Debney (Donald Sutherland) een teruggetrokken bestaan leeft in een chalet op zijn landgoed.  Debney gaf, mede door een incident waarbij al zijn werken in vlammen op gingen, al 50 jaren geen interviews meer, en Cassidy wil Figueras nu gebruiken om een recent werk bij hem los te peuteren (lees: stelen), natuurlijk met het oog op eigen faam.  Doordat Cassidy op de hoogte is van Figuaras’ methodiek van oplichterij is het voor de protagonist ook niet meteen een optie om te weigeren.  

Die plot vormt aanvankelijk een sterke basis voor een spannende thriller, maar helaas voelt de laatste akte wat overhaast en daardoor onafgewerkt aan. Dat is des te meer jammer, omdat de opbouw in het eerste deel wel het juiste tempo heeft.  De personages van de meer dan degelijk acterende Bang en Elizabeth Debicki (Figueras’ liefje en reisgezel) krijgen in dit deel voldoende tijd om hun achtergrond en motivatie te schetsen.  Datzelfde kan echter niet gezegd worden over de rol van Mick Jagger, die net iets te weinig schermtijd krijgt.  Omdat de ‘Rolling Stones’ frontman in het echte leven ook gekend staat als een excentriekeling, past hij perfect in de rol van de estheet met een sinister plan en hij amuseert zich duidelijk in dat zelfbesef.  Jagger sist zijn tekst als een slang, met het venijn in de staart zeg maar.  De aanwezigheid op het scherm van Donald Sutherland is helaas nog geringer, maar gaat wel met de mooiste dialogen aan de haal.  Het zijn misschien wel de sterkste momenten in de film, wanneer de inmiddels 85-jarige acteur filosofische uitlatingen mag formuleren zoals “If you have nothing to lose, you have to be merciless” of “You know what the saddest egg is? The egg that believes it’s a stone” (alsjeblieft!), nadat hij Berenice Hollis (Debicki) waarschuwt voor mogelijk valse drijfveren.

Stilistisch gezien is er weinig aan te merken maar verder ook niets vernieuwend of memorabel.  Dat is op zich geen ramp, aangezien Capotondi duidelijk kiest voor een klassieke structuur.  De soundtrack, die overheerst wordt door ingetogen pianomuziek, past uiteindelijk bij de elegante en trage camerabewegingen van David Ungaro, en de typisch Italiaanse villa, omgeven door cipressen en palmen, zijn ook een duidelijke afspiegeling van het extravagante en zonderlinge karakter van Cassidy.  Verder maakt Ungaro ook goed gebruik van licht om het verhaal visueel te ondersteunen.  De scènes aan het Comomeer baden in de zachte kleuren van een late namiddagzon en staan op die manier symbool voor het optimisme waarmee de zelfzekere en fanatieke Figueras zijn avontuur aanvat.  Als James uiteindelijk, met de rug tegen de muur, begint met de uitvoering van zijn plan en daar steeds verder in verzeild geraakt, is er van zon ook nauwelijks nog sprake.  Eerst komt het gevaar (de nacht) en vervolgens de paniek en verwarring (de dag nadien is het Comomeer gesluierd in mist).  Nieuw is dat natuurlijk niet maar het werkt wel, evenals een terugkerend motief in de vorm van een vlieg (waar Figueras eerder in de film de symboliek van uitlegt).     

The Burnt Orange Heresy is zeker geen topcinema, vooral omdat de film, ondanks zijn 98 minuten, wat kort en gehaast aanvoelt en redelijk conventioneel te werk gaat.  Het is wel een onderhoudende noir thriller, met goed acteerwerk en een gezonde dosis spanning. Meer moet dat soms niet zijn. 

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

drie + 8 =