IDLES :: Ultra Mono

Aan de teneur in de Angelsaksische pers te zien is het backlash-tijd voor IDLES. Zo gaat dat daar onder het pakkende motto ‘build ’em up, break ’em down’ immers al jaren. Het jammere is dat de Bristolians hen met derde plaat Ultra Mono ook wel wat argumenten aanreiken.

Het lijkt simpel wat IDLES doet, maar eigenlijk is het een aartsmoeilijke evenwichtsoefening die uiterst fijnzinnig balanceerwerk vraagt. Je kunt immers maar zo’n domme muziek maken, die zó juist is, als je net razend intelligent bent. En dat waren Joe Talbot en makkers op voorgangers Brutalism en Joy As An Act Of Resistance. Beukende punkritmes waren de vlag die verdomd genuanceerde ladingen moesten dekken. “Samaritans”: een striemende aanval op het idee “mannelijkheid”. “Danny Nedelko”: een strijdlied pro-immigratie. “Mother”: een gloeiende aanklacht tegen alles en iedereen, maar vooral tegen hen die vrouwen immer klein willen houden, want “Men are scared women will laugh in their face / Whereas women are scared it’s their lives men will take”.

We willen maar zeggen: Joe Talbot heeft meningen, en op zijn best weet hij die welbespraakt te brengen, net door zo weinig eloquent mogelijk te zijn. En dat vraagt veel van zijn arme hoofd, zoveel dat hij het op Ultra Mono bij momenten echt uithangt, want ja de naysayers van het moment hebben af en toe gelijk. Het probleem is dat Ultra Mono zó zwaar op de hand is, dat je soms zou willen dat ze af en toe ook eens gewoon onnozel zouden zijn. “I raise my pink fist and say black is beautiful”? Bono laat weten dat hij het wat much vindt, Joe. Die oorlogsonomatopeeën in opener “War”? Beetje – béétje? – plat. “Do you hear that thunder? That’s the sound of strength in numbers.” Jaja, Joe, samenhorigheid. We weten het nu wel. Het sarcasme van “Model Village” ligt er zo dik op gesmeerd dat het er bijna onder plooit, maar dan is er dat hilarisch aanstekelijk “I beg your pardon / I don’t care about your rose garden”-refrein, en kom, het is al goed.

Het is bijna tragisch dat Talbot enkel echt scherp is wanneer hij de critici van antwoord dient, zoals in “Mr. Motivator”: “Like David Attenborough clubbing seal clubbers with LeBron James”. En dan een grijzend “How’d you like them clichés?” Steek die waar de zon niet schijnt. De gierende gitaar – mág zo’n ding die geluiden wel maken? – die het ding in gang zet is een bolide die kwansuis voorbij komt gescheurd, op de voet gevolgd door een stampede aan olifanten op bas en drums. “The Lover” is ietwat onhandig, maar wel een overtuigende beginselverklaring.

Soms is IDLES dus wel in goeden doen, klinkt het begeesterend, bezield, bezéten, zoals ook in eerste single “Grounds”: log en lomp, maar aanstekelijk als fuck. “Anxiety” voelt als een ver neefje van “God Save The Queen”, de razernij van het potjes-Frans “Ne Touche Pas Moi” is meeslepend, dat staccato “my body is nobody’s but me” knált, het heen-en-weer tussen Talbot en Jenny Beth van Savages marcheert vlot. Ze is trouwens maar één van de vele gasten op dit big league-album. In “Reigns” komt Bad Seed Warren Elllis een stukje sax blazen, elders levert Jamie Cullum een mopje piano als nodeloze intro voor “Kill Them With Kindness”.

Het zijn krampachtige pogingen tot ‘verbreding’ die een beetje verspild aanvoelen. Zelfs als hiphopartiest Kenny Beats wat, euh, beats levert, hoor je immers enkel maar IDLES. En dan hangt het gewoon af van de kwaliteit van de song. En “Carcinogenic” is helaas niet zo’n goeie, interessanter is de diepe doem van het slepende “A Hymn” waarin de muzikanten eindelijk wat gas terugnemen, en laten horen dat er ergens ook een Joy Division in hen verborgen zit.

Het laatste woord is niettemin weer vuil en hard; de aard van het beestje, en dat is evenzo oké. Dus ja, het werkt nog, maar IDLES heeft met Ultra Mono wel de grenzen van de domheid bereikt. We weten het nu wel, het is gepermitteerd om in de toekomst opnieuw wat slimmer te worden.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

19 − dertien =