De tweede Engels gesproken speelfilm van de in Berlijn gevestigde Braziliaanse regisseur Karim Aïnouz (A Vida Invisível de Eurídice Gusmão, Motel Destino) is een vrije bewerking van I Pugni in Tasca, een semi-autobiografische thriller van Marco Bellocchio die anno 1965 gemengd werd onthaald maar ondertussen de status van cultklassieker geniet.
Rosebush Pruning handelt over een disfunctioneel Amerikaans gezin dat een gigantisch fortuin heeft geërfd en een zorgeloos leven leidt onder de brandende Catalaanse zon. De autoritaire vader (vertolkt door Tracy Letts) en zijn rotverwende, zelfingenomen volwassen kinderen slijten er hun dagen in een modernistische luxevilla – waar ze zich wentelen in hun eigen ijdelheid en overgeven aan decadente verveling. Wanneer de oudste telg plannen smeedt om te gaan samenwonen met zijn vriendin, en één van z’n broers achter de waarheid komt over de dood van hun moeder, komen de familiebanden zwaar onder druk te staan.
Met deze donker komische satire observeert Karim Aïnouz de dynamiek tussen de narcistische, wereldvreemde en moreel verdorven gezinsleden, en hoe die op losse schroeven komt te staan. Hij doet dit op een ongebruikelijke manier door een vertelstijl in derde persoon te hanteren. Het resultaat is een giftige maar saaie cocktail van kapitalisme, bedrog, misbruik, manipulatie en patriarchale controle.
Dit alles leidt tot een opeenstapeling van zinloze, beschamende taferelen waarin zogenaamde bevoorrechte mensen elkaar naar het leven staan en uiteindelijk op de meest cynische, perverse of wraakzuchtige wijze de duvel aandoen. Het obscure verhaal van de film roept vaag Saltburn van Emerald Fennell voor de geest, maar dat is eigenlijk een brug te ver. Rosebush Pruning – dat bevolkt wordt door een hele reeks van bekende gezichten – moet doorgaan voor een bijtende sociale allegorie, maar ontaardt in een luie persiflage die werkelijk niks interessants te zeggen heeft. Eerder is het een vloedgolf van overdrijvingen en clichés die voor geen meter werkt en waarin de logica van de plot wel heel ver te zoeken is.
Louter esthetisch ziet Rosebush Pruning er zeer verzorgd uit, met veel primaire kleuren en weelderige fotografie van Hélène Louvart, al dreigt ook zij zich nu en dan schuldig te maken aan overdaad. Het gevoel van absurdisme en vervreemding dat de hele film domineert herinnert op zijn beurt aan de humor van Yorgos Lanthimos – wat geen toeval is als je weet dat zijn vaste scenarist Efthimis Filippou ook voor Rosebush Pruning aan de
schrijftafel zat. Filippou, een pionier van de Griekse weird wave, bracht enkele wijzigingen aan in het originele script van Marco Bellochhio om nauwer aan te sluiten bij de tijdsgeest van vandaag. Maar terwijl Filippous’ werk voor Lanthimos steeds berust op een sterk onderbouwde structuur, mist Rosebush Pruning iedere richting en lijkt de enerverende prent slechts provocatie als enig doel te hebben. Het is een film die door het gebrek aan enige karakterontwikkeling en dramatische spanning wordt herschapen tot een lege doos en met zijn zeurderige nihilisme en pseudo gewaagde stijl alleen maar ons geloof in goede cinema aantast.



