Sommige artiesten bouwen zorgvuldig aan een herkenbaar profiel. Anderen slaan zonder waarschuwing een zijweg in.
Zoh Amba behoort duidelijk tot die tweede categorie. Wie de voorbije jaren kennismaakte met Amba als een van de meest onstuimige nieuwe stemmen uit de hedendaagse freejazz, zal bij Eyes Full even de wenkbrauwen fronsen. De saxofoon verdwijnt uit beeld en maakt plaats voor gitaarliedjes die zich ergens tussen indiefolk, alt.country en rafelige rootsrock ophouden. Een verrassende beweging, maar geen geforceerde.
Dat heeft wellicht te maken met de weg die Amba zelf heeft afgelegd. Opgegroeid in Kingsport, Tennessee, een plek aan de voetheuvels van de Appalachen waar de tijd soms trager lijkt te bewegen dan elders, zocht Amba al vroeg een uitweg richting grootstad. Via San Francisco kwam Amba uiteindelijk terecht in New York, waar die uitgroeide tot een opvallende verschijning binnen de kring rond John Zorn. Het debuut O, Sun werd op diens Tzadik-label uitgebracht en samenwerkingen met figuren als Bill Orcutt, Jim White en Steve Gunn maakten van Amba een muzikant met een uitgesproken signatuur: fel, spiritueel en moeilijk in een hokje te stoppen. Een erfgenaam van Albert Ayler.
Dat laatste verandert niet op Eyes Full. Alleen ligt de nadruk nu elders.
Hoewel de plaat door de platenmaatschappij nadrukkelijk als een debuut wordt gepresenteerd, voelt ze eerder als een nieuwe start. De gitaar, ooit Amba’s eerste instrument, wordt opnieuw het centrale vehikel. Samen met drummer Jim White en gitarist Kevin Hyland bouwt Amba een geluid dat bekend terrein lijkt te verkennen, maar toch voortdurend een eigen koers vaart. Alsof de nummers onderweg werden geschreven en opgenomen zonder alle scherpe randen weg te vijlen.
Die songs zijn bovendien stevig geworteld in de plek waar alles begon. Niet toevallig prijkt op de hoes een beeld dat rechtstreeks naar Tennessee verwijst. De liedjes keren steeds weer terug naar herinneringen aan het opgroeien in een conservatieve omgeving, naar familieverhalen, verborgen spanningen en het verlangen om elders een leven op te bouwen.
“Dead End Street” vat dat treffend samen. Het nummer gaat over een straat die letterlijk doodloopt, maar evengoed over een omgeving waar de toekomst beperkt lijkt tot wat al generaties lang werd voorgeleefd. “Southern Soil” duikt nog dieper in de schaduwzijde van die wereld en laat horen hoe familiegeschiedenissen soms als een onzichtbare last worden meegedragen. In “Child You’ll See” krijgt de droom van ontsnapping vorm. Het is niet toevallig dat daar op het einde alsnog een schurende saxofoon opduikt – meteen ook de enige keer op het album.
Wanneer de plaat meer vaart maakt, gebeurt dat zelden in een rechte lijn. Het titelnummer stuwt zichzelf vooruit met een energie die voortdurend dreigt te ontsporen. “Odd Jobs” slingert op een vergelijkbare manier door een verhaal over een buur die zijn dagen vult met allerlei klusjes om zijn nachten te financieren. Ook “Weed Eating” heeft iets heerlijk ontregelds. Het zijn nummers die wankelen zonder ooit om te vallen.
Maar de grootste verrassing schuilt misschien in de rustige momenten. “OCD”, nauwelijks meer dan stem en akoestische gitaar, klinkt alsof een traditioneel folknummer onderweg een paar blauwe plekken heeft opgelopen. “Another Time” kiest voor eenvoud en komt net daardoor binnen. Een eenvoudig liefdesliedje, meer moet dat soms niet zijn. Hetzelfde geldt voor “Blueberry Thorn”, al zit daar onder de oppervlakte meer melancholie dan romantiek.
Eyes Full klinkt als het werk van iemand die opnieuw aan het beginnen is zonder eerdere hoofdstukken uit te wissen. Een plaat die tegelijk vertrouwd en nieuw aanvoelt. En vooral een waarop Amba laat horen dat de muzikale identiteit die de voorbije jaren vorm kreeg veel ruimer is dan de indrukwekkende reputatie die al als saxofonist werd opgebouwd. Of de saxofoon definitief naar de achtergrond verdwijnt, valt af te wachten. Hopelijk niet. Maar zelfs als Eyes Full slechts een zijweg blijkt, is het er een die absoluut de moeite waard is.




