Wie aan beeldhouwkunst denkt, ziet spontaan monumentale bronzen standbeelden op openbare pleinen of indrukwekkende sculpturen die een museumzaal domineren. De tentoonstelling Statuettes. Kleinsculptuur in huis, ondergebracht in de pas gerenoveerde Venetiaanse Gaanderijen van Mu.ZEE in Oostende, draait dat vertrouwde perspectief radicaal om en opent informatief met een korte voorgeschiedenis van wat een statuette eigenlijk is: als een kitchenette een kleine keuken is, is een statuette een klein standbeeld. De parameters om over een statuette te kunnen spreken zijn allerminst in steen gebeiteld, maar een figuratieve, menselijke of dierlijke voorstelling, een draagbaar formaat en een functie in het interieur zijn typerende kenmerken.
Centraal in dit riant overzicht staat dus niet de monumentaliteit, maar de nabijheid. Niet de publieke ruimte, maar de woonkamer. Niet het monument, maar het object dat een leven lang op een schouw, een dressoir of een boekenkast staat en stilaan deel wordt van een familiegeschiedenis.
Dat uitgangspunt blijkt verrassend rijk. Aan de hand van een honderdtal sculpturen, aangevuld met schilderijen, tekeningen en documentatiemateriaal, ontvouwt zich een geschiedenis van de Belgische kleinsculptuur vanaf het einde van de negentiende eeuw tot vandaag. De tentoonstelling wil daarbij veel meer zijn dan een overzicht van kleine beeldhouwwerken. Ze onderzoekt waarom mensen beelden in huis halen, welke emotionele, esthetische en zelfs rituele betekenis ze krijgen en hoe die functies doorheen de tijd veranderen zonder ooit volledig te verdwijnen.
Het is een bijzonder intelligente invalshoek. Waar veel tentoonstellingen zich beperken tot een chronologische opeenvolging van kunstenaars, kiest Mu.ZEE voor een thematische benadering. Daardoor wordt de bezoeker voortdurend uitgenodigd om verbanden te leggen tussen verschillende periodes, stijlen en generaties kunstenaars.
De statuette verschijnt afwisselend als decoratief object (de opvallende cache-pot in gebakken klei die verwijst naar de Amerikaanse bokser Cassius Clay van Dodi Espinosa uit 2019), herinneringsbeeld, religieuze voorstelling (de prachtig opgestelde statuettegroep van negen frêle godinnen van Jacques Verduyn), designstuk, verzamelobject (“Tanagra – Vrouw met Amfoor” van J. Danielli Jeune uit Ensors privécollectie) en hedendaags kunstwerk (werken van de Cracking Art Group met onder meer de goudkleurige polyester zeeschildpadden van William Sweetlove die in de Giardini tijdens de Biënnale van Venetië in 2001 al zorgden voor verwondering). Juist die veelzijdigheid maakt duidelijk dat kleinsculptuur veel meer is dan een verkleinde versie van monumentale beeldhouwkunst.
De tentoonstelling confronteert de bezoeker net voor het betreden van de lange hoofdzaal, met het adorabele marmeren beeldje “Vrouw met coupe – Hebe” van Yvonne Serruys uit circa 1911, dat de godin van de jeugd en schenkster van nectar aan de goden verbeeldt. Serruys, een van de belangrijkste Belgische beeldhouwsters van haar generatie, combineert klassieke elegantie met een opvallend verfijnde art-nouveau-gevoeligheid. De vrouwelijke figuur bezit een gracieuze rust en een subtiele ritmiek die perfect aansluit bij de decoratieve ambitie van de burgerlijke woning. Het beeld wil niet imponeren, maar harmonie brengen. Het is een sculptuur die haar omgeving verfijnt zonder zich op te dringen.
Vervolgens opent de expo sterk met werken uit het fin de siècle en het interbellum, een periode waarin de burgerlijke woonkamer uitgroeide tot een plek waar kunst een belangrijke rol speelde in de inrichting én de zelfrepresentatie van haar bewoners. Vooral de art-decoperiode levert schitterende voorbeelden op. Sculpturen van Oscar Jespers, Oscar De Clerck en Jozef Cantré tonen hoe verfijnde vormgeving en decoratieve elegantie elkaar konden versterken. Hun compacte beelden bezitten een opmerkelijke monumentaliteit ondanks hun bescheiden formaat. De krachtige stilering van de menselijke figuur verraadt tegelijk de invloed van het expressionisme en de opkomende modernistische vormentaal.
Een van de absolute blikvangers is zonder twijfel Constant Permeke’s “De drie Gratiën” (1949). Hoewel het werk nauwelijks de afmetingen heeft van een klassiek monument, straalt het een enorme fysieke aanwezigheid uit. De drie vrouwenlichamen zijn zwaar, robuust en aards, precies zoals men Permeke kent uit zijn schilderijen. Zijn beeldtaal blijft onverminderd krachtig, maar krijgt door het kleinere formaat een onverwachte intimiteit. De sculptuur lijkt minder op afstand te willen imponeren dan de bezoeker uit te nodigen tot aandachtig kijken. Ze vat haast perfect samen waar deze tentoonstelling om draait: de kracht van schaalverkleining zonder verlies aan expressiviteit.
Ook de religieuze sculptuur krijgt een betekenisvolle plaats. Opmerkelijk is hoe dergelijke beelden, lang nadat hun publieke en kerkelijke functie afnam, bleven voortleven in particuliere interieurs. Heiligenbeelden en devotionalia worden hier niet uitsluitend als religieuze objecten gepresenteerd, maar ook als dragers van familieherinneringen, tradities en persoonlijke verbondenheid. Daarmee overstijgt de tentoonstelling een louter kunsthistorische benadering en raakt ze aan de culturele antropologie van het wonen.
Minstens even boeiend zijn de portretbustes die verwijzen naar herinnering en vergankelijkheid. Sommige zijn gebaseerd op dodenmaskers of functioneren als tastbare herinneringen aan geliefden. Ze maken duidelijk hoe sculptuur een bijzondere relatie onderhoudt met de tijd: een beeld bewaart niet alleen een gezicht, maar ook een afwezigheid. Dat aspect wordt nergens zwaar aangezet, maar vormt wel een subtiele onderstroom die de tentoonstelling emotionele diepgang verleent.
Het parcours beperkt zich gelukkig niet tot historische voorbeelden. Hedendaagse kunstenaars zoals Aline Bouvy en Pascale Marthine Tayou plaatsen de traditionele statuette in een compleet nieuwe context. Zo is er van de vorig jaar overleden Guillaume Bijl een reeks beeldjes te zien, eigenlijk kleine witte kopieën van overbekende werken zoals “De Kus” van Rodin. Hun werken spelen met de verwachtingen die verbonden zijn aan decoratie, huiselijkheid en verzamelcultuur. Waar oudere sculpturen vaak schoonheid of harmonie nastreven, introduceren deze kunstenaars ambiguïteit, ironie en maatschappelijk commentaar. Daardoor ontstaat een fascinerende dialoog tussen verleden en heden waarin de statuette haar relevantie moeiteloos behoudt.
Dat de tentoonstelling daarnaast ook aandacht schenkt aan kunstenaars die minder vanzelfsprekend met beeldhouwkunst worden geassocieerd, levert enkele verrassingen op. Zo vormt “Maternité” van Marthe Donas een van de meest intrigerende werken van het parcours. Donas is vooral bekend als pionier van de Belgische avant-garde en het kubisme, maar deze sculptuur laat zien hoe zij dezelfde formele vereenvoudiging naar een driedimensionale vorm vertaalt. De moederfiguur is herleid tot krachtige volumes waarin tederheid en monumentaliteit samengaan. Zonder overbodige details ontstaat een universeel beeld van geborgenheid, waarin de emotionele zeggingskracht groter blijkt dan de bescheiden afmetingen doen vermoeden.
Het expressionisme krijgt vanzelfsprekend een prominente plaats. Naast bekende statuettes springt vooral het gipsmodel van Jozef Cantré voor het monumentale bronzen beeld op het voormalige postgebouw – vandaag cultuurcentrum De Grote Post – onmiddellijk in het oog. Het model biedt een zeldzame inkijk in het creatieve proces van de beeldhouwer. Waar het uiteindelijke monument in de stad vooral afstand en representativiteit uitstraalt, toont dit gipsmodel de directe hand van de kunstenaar. Vingerafdrukken, kleine correcties en de levendige modellering maken het beeld opvallend kwetsbaar en menselijk. Juist daardoor krijgt deze maquette een artistieke autonomie die veel verder reikt dan haar functie als voorbereidende studie.
Een bijzonder geslaagde keuze is bovendien dat Mu.ZEE niet uitsluitend museumstukken uit de eigen collectie toont. Via een participatief luik krijgen ook beeldjes uit privéwoningen een plaats in de tentoonstelling. Bezoekers worden uitgenodigd om verhalen over hun eigen ‘postuurtjes’ te delen, waardoor de grens tussen museumcollectie en dagelijks leven bewust vervaagt. Dat blijkt veel meer dan een publieksvriendelijke gimmick. Het bevestigt de centrale these van de tentoonstelling: de waarde van een beeld schuilt niet uitsluitend in zijn artistieke kwaliteit of marktprijs, maar evenzeer in de herinneringen en emoties die eraan verbonden zijn.
De scenografie ondersteunt dat verhaal overtuigend. De Venetiaanse Gaanderijen blijken een verrassend geschikte locatie voor deze intieme tentoonstelling. De opeenvolging van kabinetachtige presentaties zorgt ervoor dat elk beeld voldoende ademruimte krijgt. Kleine sculpturen verdrinken hier niet in een te ruime museumzaal, maar krijgen precies de aandacht die hun formaat vereist.
De presentatie nodigt uit tot traag kijken, bijna zoals men thuis een vertrouwd object telkens opnieuw ontdekt. Fijnzinnig is ook dat een aantal krachtige schilderijen verscholen gaat achter gesloten deuren die aan de wanden van de exporuimte zijn bevestigd. Het is aan de bezoeker om die te openen en te ontdekken wat letterlijk uit de kast komt.
“Het aanraken van de uitermate kwetsbare kunstwerken die daar doorgaans wel toe uitnodigen omdat ze vaak op ooghoogte staan, is het privilege van de eigenaar. Voor de bezoekers is dat absoluut uit den boze”, aldus curator Huygebaert. Bijzonder origineel is echter dat bezoekers binnen deze expo wél mogen voelen. Verspreid over de verschillende exposecties staan zes grote witte metalen kokers opgesteld waarin kopieën van kunstwerken verborgen zitten. De bezoekers kunnen en mogen die betasten en vervolgens proberen te raden om welk meesterwerkje het gaat. Een bijzonder leuke en geslaagde vondst.
Niet alles overtuigt even sterk. Door de grote thematische rijkdom dreigt de tentoonstelling af en toe een overvloed aan invalshoeken te bieden. Decoratie, religie, herinnering, tactiliteit, verzamelen en hedendaagse kunst lopen soms zo vloeiend in elkaar over dat het narratieve parcours aan scherpte verliest. Sommige bezoekers zullen wellicht verlangen naar iets meer historische context rond de maatschappelijke evolutie van het burgerlijke interieur of de economische rol van de kunstnijverheid. De tentoonstelling kiest bewust voor associatie boven strakke chronologie, wat intellectueel prikkelend is, maar niet altijd de grootst mogelijke helderheid oplevert.
Dat zijn echter slechts kleine kanttekeningen bij een bijzonder doordacht geheel. Statuettes. Kleinsculptuur in huis slaagt erin een ogenschijnlijk bescheiden onderwerp uit te werken tot een verrassend veelzijdige tentoonstelling over kunst, wonen, herinnering en menselijke verbondenheid. Ze toont dat grote kunst zich niet noodzakelijk manifesteert in monumentale afmetingen. Soms schuilt haar grootste kracht net in haar bescheidenheid, in een beeld dat jarenlang zwijgend aanwezig is op een schouw, dagelijks wordt voorbijgelopen en daardoor onmerkbaar deel wordt van een mensenleven.
Als uitsmijter onderstreept Statuettes. Kleinsculptuur in huis dat de tentoonstelling zich niet beperkt tot historische nostalgie. Ze maakt voortdurend duidelijk dat de statuette ook vandaag nog een levend artistiek medium is. In een afzonderlijke focusruimte gaat bovendien uitvoerig aandacht naar het oeuvre van Wim Delvoye, aan de hand van enkele van zijn opmerkelijkste creaties.
Waar de oudere sculpturen schoonheid, herinnering of harmonie willen oproepen, ondergraaft Delvoye precies die verwachtingen. Naast Concrete Mixer RL 2.93-94, een betonmolen die volledig met de hand uit hout is gesneden, diverse Action Dolls, en de speelgoeddoos met een plastic Action Man van Delvoye als Ken van Barbie, is Chantier IV uit 1994 beslist een imponerende installatie. Het werk bestaat uit zware stalen riool- en afvoerbuizen die worden gedragen door fragiele, rijk gedecoreerde porseleinen balustervormen als poten. Het oogt tegelijk aantrekkelijk en vervreemdend. Zoals zo vaak in Delvoye’s oeuvre vervaagt hier de grens tussen ambacht, ornament en conceptuele kunst.
Ook “Bidjar” (1986), een van Delvoye’s sleutelwerken, is te bewonderen in de aparte ruimte. Het is een machinaal vervaardigd Perzisch tapijt van het type Bidjar, waarop de kunstenaar met olieverf een figuratieve scène schilderde: een naakte man met een dolk kijkt naar een vallende Korinthische zuil, terwijl drie roze vogels voorbijvliegen.
Daarmee doorbreekt Delvoye bewust de strenge symmetrie en het decoratieve karakter van het tapijt. De titel verwijst naar Bidjar, een stad in Iran die bekendstaat om haar bijzonder stevige en dichtgeknoopte Perzische tapijten. Delvoye gebruikt de naam dus niet als onderwerp, maar als aanduiding van het type tapijt waarop hij schildert. Bidjar is een bijzonder belangrijk werk omdat het een treffende illustratie is van Delvoye’s bekende emulsieprincipe: het gebruik van twee elementen die niet echt samensmelten, maar toch één object vormen.
Mu.ZEE bewijst met deze tentoonstelling opnieuw hoe sterk de eigen collectie is en hoe vruchtbaar een originele curatoriële invalshoek kan zijn. Statuettes. Kleinsculptuur in huis behoort zonder twijfel tot de meest verrassende tentoonstellingen die Mu.ZEE de voorbije jaren presenteerde. Ze herwaardeert een kunstvorm die vaak als bijkomstig of decoratief werd beschouwd en toont overtuigend dat juist in de kleine sculptuur de relatie tussen kunst en mens misschien het meest direct voelbaar wordt.
Wie de Venetiaanse Gaanderijen verlaat, kijkt niet alleen anders naar de Belgische beeldhouwkunst, maar wellicht ook naar het bescheiden beeldje dat thuis al jaren bijna onopgemerkt op een kast of vensterbank staat. Dat is misschien wel de grootste verdienste van deze tentoonstelling: ze leert ons opnieuw de waarde van het kleine te zien.
Statuettes. Kleinsculptuur in huis loopt nog tot 03 januari 2027.
Statuettes. Kleinsculptuur in huis is te zien in de Venetiaanse Gaanderijen, Hoek Zeedijk / Parijsstraat in 8400 Oostende. Dagelijks van 10 tot 17.30 uur (behalve op maandag). Meer info via de website van Mu.ZEE Oostende.



