Er wordt wel eens gezegd dat een goede regisseur in wezen maar één film maakt en daar dan voortdurend variaties op spint. Als er echter één cineast is voor wie dat niet geldt dan is het wel Steven Soderbergh. Hij begon zijn carrière met indie-drama’s als Sex, Lies and Videotape en Kafka, evolueerde naar een groot publiek en Oscarsucces met onder andere Erin Brockovich en Traffic, draaide eigenzinnige genrefilms – The Limey – en grote kassuccessen zoals Ocean’s Eleven, kondigde een paar keer zijn pensioen aan als filmmaker maar draaide intussen experimentele met iphone geschoten titels zoals Unsane, en in de herfst van zijn loopbaan keert hij nu terug naar perfect gebalanceerde klassieke cinema. Vorig jaar was er het geweldige Black Bag, een tot in de perfectie gestroomlijnde spionagethriller en nu is er The Christophers, een doorleefd en vormelijk mooi volgens de regels gemaakt drama over een verbitterde kunstenaar en een nieuwe assistente met bijbedoelingen.
En wat een andere film is The Christophers geworden in vergelijking met de voorganger! Black Bag was een volmaakt geoliede genremechaniek getekend door elegante glijdende en cirkelende camerabewegingen en strakke horizontaal georiënteerde composities in breedbeeld. Dit ‘huis clos’ drama drijft daarentegen op veelal statische camera-instellingen afgewisseld met wat korte met de hand geschoten shots en opteert voor een veel intiemer 1:85 formaat dat past bij het onderwerp. Beide stijlen werken perfect voor het type film dat beoogd wordt, maar het is bewonderenswaardig hoe Soderbergh (die zoals gewoonlijk ook zelf de cinematografie voor zijn rekening nam) zo vlot van de ene aanpak naar de andere snijdt, afhankelijk van de vereisten van zijn nieuwe werk.
Aan het oppervlak is dit een verhaal over een poging tot vervalsen van kunst: Julian Sklar (Ian McKellen) was ooit een baanbrekende schilder die de laatste dertig jaar enkel nog geteerd heeft op zijn reputatie en zich onledig houdt met jurylid spelen in kunstwedstrijden en online verzoekjes inspreken tegen betaling. Zijn inhalige kinderen huren een voormalige studiegenote (Michaela Coel) in met de vraag als assistente in dienst te gaan bij hun vader, eigenlijk met de bedoeling zo een beroemde reeks onafgewerkte schilderijen – The Christophers – in het geheim in de juiste stijl te vervolledigen zodat ze na de nakende dood van hun vader verkocht kunnen worden voor massa’s geld. Die kapstok voor de plot is echter de aanzet voor een ‘kammerspiel’ waarin twee artiesten diepere vragen aansnijden over talent en kunst. In eerste instantie is er de vraag rond de aard van talent. Zoals Soderbergh het in een interview met het vakblad Variety stelde: “Hoe slagen sommige mensen erin zichzelf te blijven heruitvinden en waardevolle kunst te blijven afleveren terwijl anderen dat niet kunnen en als het ware opbranden na een tijd?” Het is een vraag die je ook over Soderbergh zelf zou kunnen stellen die erin slaagt om in zijn late carrière plots weer van zijn allerbeste werk af te leveren, maar het is vooral het onderwerp dat als een rode draad doorheen de film loopt.
In tweede instantie is er nog een diepere laag die doorheen de discussies wordt aangesneden. In 1936 schreef filosoof Walter Benjamin zijn beroemde traktaat Das Kunstwerk im Zeitalter seiner Technischen Reproduzierbarkeit (Het Kunstwerk in het tijdperk van Technische Reproduceerbaarheid). Benjamin stelde daarin vragen over het ‘aura’ van de kunst dat nog overbleef in een tijdperk waarin alles eenvoudigweg kan gerecycleerd en gereproduceerd worden. Dat ging over de industriële revolutie, maar doorgetrokken naar vandaag is die vraag meer dan ooit pertinent. Wat als niet enkel de kunst zelf recycleerbaar en reproduceerbaar wordt, maar zelfs het concept van de kunst en de kunstenaar? Is er in tijden van internet en artificiële intelligentie nog wel zoiets als talent en creativiteit, of is alles enkel nog manipuleerbaar medium? Het antwoord van Soderbergh en scriptschrijver Ed Solomon blijkt hoopvol te zijn – misschien niet te verwonderen komende van een cineast die onlangs AI verdedigde als een mogelijk creatief instrument in bepaalde situaties – en laat wel degelijk nog ruimte voor creatie en talent als fundamentele bouwblokken, al is de film niet blind voor de onvermijdelijke mercantiele structuren die dit alles sturen.
Als dat allemaal wat zwaar op de hand klinkt, moet er meteen aan toegevoegd worden dat The Christophers naast dat alles ook bijzonder geestig en gevat is. Het verbale duel tussen de protagonisten is zeer vermakelijk en er wordt op heel hoog niveau geacteerd. Michaela Coel is een revelatie, maar Ian McKellen is buitenaards goed. In een carrière die zo rijk en gevarieerd is als die van de Brit (van Shakespeare tot Gandalf en X-Men) is het altijd gevaarlijk zoiets te stellen, maar dit is echt zondermeer een van de meest indrukwekkende prestaties die de man ooit neerzette en mochten de Oscars echt een graadmeter zijn voor kwaliteit, dan lag nu al vast wie volgend jaar het beeldje voor beste mannelijke hoofdrol dient te krijgen.



