Jehnny Beth :: To Love Is to Live

Op de hoes: Jehnny Beth met een staalharde blik en verder niets om het lijf. De industriële postpunk op haar eerste soloalbum klinkt navenant brutaal en intiem, een combinatie waar industriële postpunkers doorgaans beter mee wegkomen dan gynaecologen. Hier is dat niet anders.

De leidraad en titel van de plaat is het tattoofähige zinnetje To Love Is to Live, dat Beth op haar Facebook-profiel aanvult met “To Live Is to Sin to Sin Is to Love”. Je kunt je afvragen hoe comfortabel de geest zich wentelt in zo’n mentale draaideur, maar een mooie frase is het onmiskenbaar, en ze heeft Beth een perfect cirkelvormige schijf vinyl opgeleverd. Een goed begin.

Dat begin heet “I Am”, wat ons meteen naar het einde brengt, bij “Human”. In die tang zitten nog negen nummers geprangd, met titels als “Innocence” en “How Could You”, “I’m The Man” en “Heroine”. Nu al weet je: hier komen borderlines en paradoxen van, waartussen alles mogelijk wordt. Dat blijkt vooral op seksueel vlak. Ergens op deze plaat zegt Jehnny Beth dat ze nog eens zal doodgaan van geborgenheid. Op naaldhakken betreedt ze een kamer, waarna ze zegt dat ze een man is en daarom niet tot huilen in staat is. Elders snoeft deze Beth dat er geen bitch in ’t stad is die niet weet hoe hard haar lul is – op de hoes ziet ze er Schwarzenegger-sterk uit. Ze wenst op haar eigen manier klaar te komen.

De tegenstellingen keren terug in de begeleiding, in die zin dat instrumenten elkaar in de haren én in de armen vliegen. Hier speelt men een spel van hard en zacht, en het is dat laatste dat ik volgen wil. Het openingsnummer is mooi in zijn vormloosheid. Beth rekt zich uit van teen tot kop en terwijl een piano haar arpeggio’s speelt, schudt zij het dons van haar stem. Op “Innocence” vallen beat en drumcomputer brutaal en zonder mondmasker binnen en alles is nat en hard en goed behalve het refrein, dat zich laat afdrammen als de tafel van drie. Heerlijk barok en ook vele malen beter klinkt “Flower”, een song over gekarteltande liefde in een bikinibar – de feiten zijn waargebeurd, er wordt naar het schijnt nog steeds over gedroomd. Beth is hier een heel erg goeie Beth: ze heeft Patti Smith in de keel en David Bowie in de heupen. Straffeloos komt ze daarmee weg.

De wanden in Beths hersenkamers zijn met spijkers bezet en ze schuiven naar elkaar toe. In “We Will Sin Together” klemmen ze de kaken nog op elkaar, maar drums en gitaren houden het niet langer uit en moeten exploderen op “I’m The Man”. Geslaagd is dat nummer daarom nog niet. Het klonk cool toen het die hak-in-de-kakscene in Peaky Blinders mocht soundtracken, maar hier ontlokt het vooral vermoeidheid. “How Could You” is in het zelfde bedje ziek, alleen met iets minder koorts. Met dank aan Nine Inch Nails-elektronica, een bijdrage van IDLES-frontman Joe Talbot en een memorabeler melodie. Eleganter en geslaagder zijn het poppy “Heroine” en de pianoballade “French Countryside”, beide meegepend door Romy Madley Croft van The xx. Zachter is beter.

In een verleden waarvan ik hartgrondig hoop dat het nog niet begraven is, was Beth de frontvrouw van Savages, een band met een song die “Fuckers” heette en gitaren had die heet waren als de hoeven van Satan. Op To Love Is to Live is er zo de afsluiter “Human”. De song houdt een grommende basgitaar aan de lijn – op zijn hals een naamplaatje met Lucifer erop. Drum en sax, geleend van Bowies Blackstar, vinden er een casus belli. En op het eind: strijkers als sigaretten op zenuwuiteindes. Zelfs een gewaarschuwd mens bloedt hierna uit zijn bek.

Jehnny Beth gebruikt haar muziek als sloganbord voor haar verbeelding, en de boodschap laat zich beter lezen in sierschrift dan in harde gotiek. Eigenlijk hoeft dat niet te verbazen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twee × 5 =