Destroyer :: Have We Met

“Have we met?” De vraag wordt niet gesteld, laat staan beantwoord, want in ware Destroyer-stijl is de titeltrack volledig instrumentaal. Of het nu een staaltje Bejar-humor betreft of niet, de haast gewichtloze soundscape tekent het beleid uit voor de plaat: clean, atmosferisch en hevig meurend naar de nacht.

Uiteraard hebben we Dan Bejar al eerder ontmoet. De back catalogue van de Canadees is immers even gevarieerd als omvangrijk en schippert onder meer tussen flamboyante glamrock, lo-fi indie, met een belabberd accent gezegende odes aan Spaanse artiesten en orkestrale kamerpop. Bejar vindt zichzelf misschien niet opnieuw uit, maar komt toch telkens aanzetten met een licht andere invalshoek, wars van trends. 

Have We Met is het soort album geworden dat de nachtelijke uren doet glanzen: donker en dromerig als een film noir, maar eveneens hard en gepolijst als een glimmend stukje plastic. Gitarist en producer John Collins, met wie Bejar al sinds City Of Daughters (1996) de studio induikt, kreeg naast de demo’s en enkele richtingaanwijzingen vooral de onbeteugelde vrijheid om het geluid verder uit te bouwen. De ene keer resulteert dat in een sfeer van artificiële zwoelheid die doet denken aan erotische thrillers uit de jaren negentig, de andere keer lonkt een nummer licht satirisch naar de elektronische kant van de eighties. Koning Synthesizer regeert, met de occasionele bas, gitaar of piano als volgzame lakeien.

Het had kunnen verzanden in generische loungemuziek, maar er schuilt meer leven in Have We Met dan de voorgaande beschrijving doet vermoeden. Bejar loopt dan wel graag te toeteren dat hij geen popnummers schrijft, op elk album belandt hij minstens enkele keren per abuis in iets dat er verdacht veel op lijkt. Hoe graag hij ook zou weglopen van een toegankelijke oorwurm, de OMD-synthpartij van “It Just Doesn’t Happen” laat dat simpelweg niet toe. Een duisterdere parel is “Kinda Dark”, waarop Collins zijn liefde voor The Art Of Noise laat doorschemeren. Zelfs met die scheurende gitaarsolo had dit zo op de sensueel dreigende soundtrack van Drive gekund. “Cue Synthesizer” – door Bejar omschreven als “industrial pop funk” – doet met zijn duellerende gitaren dan weer eerder denken aan Phil Collins, met een heerlijke bas in de bijrol. 

Wat alles samenhoudt, is de manier waarop de frontman, nu ja, zingt. Zijn excentrieke poëzie leverde hem al meer dan eens het label ‘meer stijl dan inhoud’ op, maar het is vooral zijn kenmerkende afstandelijkheid die opvalt. Jaag de naam Dan Bejar door Google Images en staar vervolgens duizendmaal naar dezelfde foto van een onbewogen ogende Canadees. In plaats van in de eigen ziel te roeren, roept hij liever beelden op. Hoe dichter je komt, des te onduidelijker wordt het beeld. Niettemin werkt dat ongrijpbare aura in zijn voordeel. Die nasaal afgeknepen woorden gewikkeld in een lijzige verteltoon. De half-poëtische observaties die nooit te zwaar zullen wegen door dat ene stream-of-consciousnesszinnetje dat er achteloos achteraan wordt gegooid. Neem nu de typische manier waarop hij het album opent op “Crimson Tide”: “I was like the laziest river / A vulture predisposed to eating off floors / No wait, I take that back”

Je hebt artiesten die eerst een melodie bedenken om er vervolgens wat woorden tegenaan te kwakken. Bejar doet het omgekeerde: de tekst vormt het beginpunt en de muzikale omkadering volgt, waardoor de zinnen intrinsiek over een goed ritme en emotioneel gewicht moeten beschikken. Ze rollen koeltjes en nonchalant uit zijn mond, met een onbestemde charme die altijd goed klinkt. Soms doen ze je onverhoeds ophouden waarmee je bezig bent, op andere momenten trekken ze subtiel je mondhoeken omhoog en maken ze het onmogelijk niet te grijnzen. Of hoe reageer je anders op een zin als “Just look at the world around you / Actually no, don’t look”?

Ook fans bestaan in vele soorten en gradaties. Waar de een de zoektocht naar coherentie heeft opgegeven en simpelweg valt voor de elegantie van een chagrijnige oneliner, graaft de ander koppig verder om subtext en mystieke motieven te ontcijferen. Zet Bejar zichzelf nu echt te kijk als naakte keizer in “Cue Synthesizer”? Beseffen we wel hoe hol en betekenisloos het allemaal is, inclusief en misschien vooral dit nummer, wanneer we weinig meer zijn dan een armzalig hoopje mijnpaarden. Ook de artiest ploetert maar wat verder in de marge. Wie of waar we ook zijn: “It’s all the same shit”

Op titeltrack “Have We Met” tekent de frontman niet eens present. Desolate gitaar- en basnoten snijden scherp doorheen de weemoedige synths. Het effect is ontspannend, maar het gevoel van onheil is nooit veraf. Zelfs hekkensluiter “foolssong” laat de luisteraar niet vredig de nacht inzweven. Met een lieflijk refrein (“It ain’t easy being a baby like you”) dat lijkt weggeplukt uit Kaputt eindigt het slaapliedje in een aanzwellende geluidsbrij als een overvliegende zwerm insecten. Het venijn zit hem in de staart, als een reminder dat het vooral niet te leuk mag worden.

Een album van Destroyer is nooit – en tegelijkertijd precies – wat je ervan verwacht. “Is dit nu een hoop slaapverwekkende onzin of gewoon goed?” “Gaan die teksten nu over alles, of eigenlijk over niks?” Het zijn de eeuwige Bejar-vragen. Have We Met is veruit zijn meest minimale worp en kan soms wat hol of half verdoofd aanvoelen, maar altijd is er die tijdloos elegante vibe die je niet zozeer naar de keel grijpt, maar wel zachtjes naar binnen trekt. Luchtige melancholie hoef je noodzakelijk te begrijpen. Laat ze in plaats daarvan liever over je heen spoelen.

Destroyer staat op 3 mei in Trix (Antwerpen).

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

tien − vier =