Pavarotti

Na documentaires over Jay-Z (hip hop) en The Beatles (pop) richt Ron Howard zijn blik op opera en op wellicht de grootste operaster van de tweede helft van de twintigste eeuw: Luciano Pavarotti. ‘Mocht Pavarotti vandaag nog leven, dan had ik hem wellicht gevraagd of de verhaallijnen uit de opera’s die hij heeft gezongen, hem ook in het echte leven hebben beïnvloed of geïnspireerd’, mijmerde Howard in een interview naar aanleiding van de documentaire.

De documentaire opent in 1995 met beelden van Pavarotti die op weg is naar een operahuis dat midden in het Amazonewoud ligt. Het was de tenor namelijk ter ore gekomen dat Enrico Caruso, de internationaal bekende Italiaanse operaster uit de eerste helft van de twintigste eeuw, ooit in datzelfde operahuis een concert had gegeven. Eenmaal aangekomen zingt hij in een quasi leeg gebouw een aria ter ere van Caruso. Het is een typerend moment in de film die Pavarotti ten voeten uit portretteert:  de man ademt opera, of er nu publiek bij is of niet.

Op narratief vlak neemt Pavarotti geen risico’s en na de openingssequentie krijgen we dan ook een vrij conventionele biografie van de Italiaanse tenor te zien inclusief een aantal typische artiestenclichés. Zo kwam het Amerikaanse debuut van Luciano in februari 1965 geheel onverwacht  toen hij moest inspringen voor een tenor die ziek was geworden. Plots komt hij voor het voetlicht voor een initieel morrend publiek in de opera Lucia di Lammermoor en de rest is geschiedenis. Als u, de lezer, zegt dat u een dergelijk verhaal al eerder heeft gehoord bij een variétéartiest of Broadwayacteur die door ziekte van een collega zelf bekend werd, dan kunnen we u alleen maar gelijk geven. Bovendien is de man, net als vele andere artiesten, vrij bijgelovig en heeft hij bij elk concert een kromme nagel als geluksbrenger in zijn zak. Zijn muzikale maturiteit toon hij pas echt in 1972 als hij zonder probleem negen hoge C’s haalt in La fille du régiment. Zijn toenmalige platenmaatschappij Decca springt op de commotie die dat veroorzaakt in het operawereldje en kroont hem meteen als ‘King of the High C’s’.

Ron Howard haalt alles uit de kast om de Italiaanse tenor zo aantrekkelijk en aimabel mogelijk te maken voor het grote publiek. Hij gebruikt hiervoor typische ‘talking head’ interviews, maar hij laat even goed Pavarotti zelf zijn eigen verhaal vertellen aan de hand van slim gekozen beeld- en audiofragmenten. Hoewel Pavarotti’s scheiding en zijn amoureuze avontuurtjes ook de revue passeren, zijn de scherpste kantjes er toch van afgevijld. Zijn vele goede werken worden geprezen en natuurlijk mag Bono van U2 niet ontbreken om op dat vlak zijn duit in het zakje te doen. De documentaire werkt nog het best als zijn collega’s, zoals Placido Domingo en José Carreras, hun licht laten schijnen op het uitzonderlijke talent dat de maestro wel degelijk had. Op die momenten wordt het een masterclass die het publiek meeneemt achter de schermen van de opera. Wat schijnbaar moeiteloos uit de keel van een sopraan of een tenor komt, vergt jaren van training en hard werk.

Pavarotti is een vrij afgelikte documentaire die minstens even sympathiek overkomt als zijn immer glimlachende onderwerp. Vele anekdotes, zoals het waarom van het beroemde witte zakdoekje die de tenor altijd in de hand had bij elk concert, dienen enkel om de aaibaarheidsfactor van de man uit Modena te verhogen. Het divogedrag van Luciano en zijn steeds groeiende entourage van hielenlikkers die hem bij elke concertreeks begeleidde, worden even aangestipt, maar niet echt onder de loep genomen. Was Pavarotti de Caruso van zijn tijd? Absoluut, dat bewijzen de vele concertfragmenten waarmee deze documentaire is doorspekt. Niettemin heeft de film ook veel weg van Pavarotti’s wassen beeld bij Madame Tussaud. Levensecht, maar toch ook een beetje fake. De Negen C’s worden hier niet gehaald, hooguit de helft.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in