Jeffrey Lewis & Los Bolts :: Manhattan

The Big Apple krijgt al genoeg complimenten, moet Jeffrey Lewis gedacht hebben toen hij deze alles behalve rooskleurige impressie van zijn leven als New Yorker opnam. En gelukkig maar: de toeristische dienst zal er allicht niet om staan te springen, maar de rest van ons houdt er wel een heel tof plaatje aan over.

Sinds het begin van de jaren ‘00 heeft cultsinger-songwriter Jeffrey Lewis een handvol albums uitgebracht, met enkele terugkerende ingrediënten als grootste gemene deler. Zijn zogenaamde anti-folk wisselt akoestische nummers af met lo-fi punksongs, staat bol van de kurkdroge observatiehumor en grossiert in zelfspot. Daar komt nog eens zijn monotone stemgeluid bij, dat er alles aan doet om enige emotie of sentiment met een grote boog uit de weg te gaan.

Op zijn zesde full album etaleert Lewis opnieuw zijn nihilistische wereldbeeld, dat hij weliswaar opluistert met zodanig veel zelfrelativering en geestigheid dat er al bij al aardig wat gelachen mag worden. Kleurrijke onderwerpen zoals zijn psychopathische buurman, een zelfdestructieve jeugdvriend of zijn eigen mentale labiliteit geven de punksongs van Jeffrey Lewis niet meteen veel reasons to be cheerfull, maar ze maken van Manhattan wel een album waar je écht naar luistert. Met deze verzameling karakterschetsen bewijst Lewis bovendien wat voor een pientere tekstschrijver hij is. En hoe deprimerend ook zijn kijk op de stad, hij weet als geen ander dat je er vooral van op een afstand mee moet kunnen lachen.

In het verleden kwam Lewis op de proppen met wonderlijke songtitels als “The Last Time I Did Acid I Went Insane”, “Don’t Let the Record Label Take You out to Lunch” en het filosofische “You Don’t Have to Be a Scientist to Do Experiments on Your Own Heart”. Op titelvlak blijft Manhattan een pak soberder, maar de teksten die erachter zitten vertellen minstens even veel zonderlinge verhalen. Het nostalgische “Scowling Crackhead Ian” bijvoorbeeld, over zijn foute jeugdvriend die hij nu af en toe op straat ziet, doet je beseffen dat we allemaal een tragische Ian kennen; iemand die de verkeerde keuzes heeft gemaakt in het leven en je duidelijk maakt dat die van jou zo slechts nog niet zijn.

De thema’s op Manhattan — een variatie van angst, twijfel en pijn — mogen dan pikdonker zijn, muzikaal komt de plaat best levenslustig voor de dag. “Sad Screaming Old Man”, over Lewis’ schreeuwende buurman die hem ei zo na tot waanzin drijft, wordt voortgestuwd door een kwiek punkarrangement en zowel “Avenue A, Shanghai, Hollywood” als “Outta Town” klinken ronduit opgewekt. Op voorwaarde dat je de boodschap van gemis en de daaruit groeiende radeloosheid even negeert, welteverstaan. Even schizofreen is het bijna lieflijke “Support Tours”, dat het opneemt voor de eeuwig kleine bandjes, de naïeve groepjes die maar niet verder dan bedroevende voorprogramma’s van niet eens zo succesvolle hoofdacts weten te geraken.

De grootste pluim gaat echter naar “Back To Manhattan”, een lange break-up song die net niet in melancholie kopje onder gaat. Acht minuten lang wandel je bij een ondergaande zon mee over de Brooklyn Bridge, naast een koppel dat samen de brug opwandelt, maar uiteindelijk
een verschillende eindbestemming heeft.

In de wereld van Jeffrey Lewis is het niet de rozengeur die domineert, wel het bittere bouquet van alledag. Dat levert geen weemoedige klaagzang op, maar een sarcastisch muzikaal portret van een leven dat even banaal is als dat van u en ik. Een doodgewone vent, maar een bijzondere plaat.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zestien + 7 =