DOMINO 08 :: Turner Cody + Jeffrey Lewis & The Jitters + Soko + Adam Green, 17 april, AB

De laatste avond Domino, de laatste kans om onder de indruk te raken en jawel: dat gebeurt. Eigenlijk is de lichtjes fascinerend line-up van de avond daar alleen al voldoende voor, maar ook inhoudelijk zit het behoorlijk snor.

De eerste muzikant die mag aantreden, is Turner Cody. Afgelopen najaar tourde de man nog met Herman Düne, wat een intrigerende wisselwerking opleverde tussen beide artiesten. Nu treedt hij helemaal alleen voor het voetlicht en het moet gezegd: waar we vreesden dat zonder The Band-achtige omstandigheden ’s mans songs niet overeind zouden blijven, bewijst hij overtuigend het tegendeel.

Cody stelt de nagelnieuwe plaat First Night voor en afgaand op wat op het podium gebracht wordt, is dat het album om bij het eerste ochtendgloren voor naar de winkel te rennen. De bindteksten mogen dan wel de indruk geven dat hij ‘m enigszins om heeft, de manier waarop hij weet te ontroeren met zijn stem en simpel gitaarspel dwingt respect af. “Beautiful Day” valt te noteren als een hoogtepunt en toont dat de muziek van Cody, in al zijn eenvoud, uit meesterwerkjes opgebouwd is.

Waarna het anarchisme zijn entree maakt in de AB: vorig jaar leverde Jeffrey Lewis met 12 Crass Songs een van de meest verrassende platen af die recent richting anti-folkliefhebber gegooid werden. Rond dat album is het concert van vanavond opgehangen en meer nog dan op plaat, komt de folkbehandeling op het podium de gemene punknummers ten goede. Jeffrey Lewis & The Jitters openen sterk met een staccato “Do They Owe Us A Living?” Een zowaar sprookjesachtig “End Result” toont dat er bijna geen limiet staat op wat met het oeuvre van Crass aangevangen kan worden. Wanneer Lewis vervolgens een non-nummer brengt dat én drijft op feedback én bovendien beluisterbaar klinkt, geldt voor het folkgenre hetzelfde.

En de man heeft nog meer in zijn mars: “As I Wandered Acros The Land” is song en toverlantaarnfilmpje tegelijkertijd en slaat een brug met de eeuwenoude traditie van rondreizende liedjeszangers. Als afsluiter kiest Lewis voor het van een romantisch kantje voorziene “Big A Little A”, een laatste eresaluut aan het anarchisme van Crass en een aanzet voor Soko, zo lijkt het wel.

Want als er iets over de jonge Franse zangeres gezegd kan worden, is dat het er sterk op lijkt dat ze de boodschap uit dat laatste nummer — be excactly who you want to be — zeer consequent naleeft. Daardoor geldt voor Soko en haar muziek, nog meer dan voor Leen Demaré: love it or hate it. Oorzaak van die tweespalt is “I’ll Kill Her” (“Aalkieler”), een nummer dat, wanneer het een van zijn tweehonderd dagelijkse passages op de radio maakt, je zover brengt dat je het toestel of luider zet, of met een voorhamer te lijf gaat.

Soko lijkt zich bewust van de controverse en opent haar concert met het nummer: laatkomers ontsnappen er op die manier aan en wie alleen voor de hit kwam, kan op tijd naar huis. Gewapend met enkel een ukelele werkt de jongedame zich op zo’n manier door de oorzaak van haar succes dat het publiek met lichtjes verbaasde blik toekijkt, waarop Soko zelf ook even in een lachkramp uitbarst. Daarmee is de toon gezet en volgt een concert dat lak heeft aan conventies en bij momenten totaal ridicuul is, maar waarbij Soko steeds ontwapenend weet over te komen, hoe simplistisch haar nummers ook zijn. Want wat immers te denken van een lied over het inruilen van een kaasobsessie voor een pindaboterverslaving?

Muzikaal klinkt het allemaal uitermate rudimentair. Het lijkt bij momenten wel of de nummers ter plekke verzonnen worden en dat Soko en haar kompaan, telkens ze van instrument wisselen, het bewuste instrument voor het eerst ter hand nemen. Wanneer de jongedame zelf achter de drum plaatsneemt, lijkt bovendien het moment aangebroken om Meg White tot drumvirtuoos te bombarderen. Gelukkig is er, hetzij muzikaal hetzij tekstueel, altijd wel iets dat er voor zorgt dat de aandacht vastgehouden wordt. Zo is “My Wet Dreams” tekstueel een hoogtepunt te noemen, muzikaal is “I Love You More” de sterkhouder die aangeeft dat Soko het potentieel heeft uit te groeien tot meer dan een gimmick.

Vreemd genoeg kiest na Soko zowat een derde van het publiek het hazenpad. Goed, de vorige passage van Adam Green op Domino ging ten onder aan een teveel aan alcohol, maar dat wil niet zeggen dat de man geen nieuwe kans verdient. En oké, ook vanavond is de Green die op het podium staat zichtbaar niet de nuchterste, maar dat weerhoudt de man er niet van om met zijn band door een ontelbaar aantal songs te ploegen en daarbij zowat elk mogelijk naoorlogs genre kortstondig te omarmen.

Daar zit meteen ook de zwakte van deze passage: het is fascinerend Green te horen croonen in “Broadcast Beach” en hem als een kruising tussen Mick Jagger en Johnny Borrell over het podium te zien springen, maar door het stuitereffect dat ontstaat door het altijd weer switchen tussen diverse gezichten, is het moeilijk om na drie concerten nog aandachtig te blijven. Een mooi akoestisch uitgevoerd “Bluebirds” laat zich noteren als een van de hoogtepunten, maar kan niet voorkomen dat het concert halverwege ronduit langdradig wordt.

Het duurt tot het klassieke “Dance With Me” voor er terug magie op het podium te bespeuren valt, maar vanaf dan passen alle puzzelstukjes wonderwel in elkaar en met “Friends Of Mine” bevestigt Green dat hij wel degelijk op het juiste spoort zit. De malloot van een half uur eerder is opnieuw de bevlogen performer en songsmid waarvoor een mens een ticket aanschaft. Met “Baby’s Gonna Die Tonight” rondt Green vervolgens deze Domino af en het moet gezegd: de laatste dag was een hoogdag, met nieuwigheden, gevestigde waarden en muzikaal avontuur. Vuurwerk!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

een × 1 =