Jeffrey & Jack Lewis :: City & Eastern Songs

"Nobody likes a bloody comedian." Grappen en grollen horen net zo min thuis in het muzieklandschap als een zwarte op het benefietfeestje van de Afrikaner Weerstands Beweging" mompelt de muziekliefhebbende azijnpisser wel eens, waarna hij zich nogmaals wentelt in het leed dat door de zoveelste door karikaturale zielenpijn verteerde gevoelige jongen in songs gegoten werd.

Dat het ook anders kan, bewees The Moldy Peaches nochtans met het gelijknamige tragikomische debuut in 2001. Het album rammelde aan alle kanten, terwijl de humor zelden het puberale niveau oversteeg, maar het wist toch een gevoelige snaar te raken net door die bijwijlen puberale, maar vooral ontwapende eerlijkheid. Tijdens zijn zegetocht nam de groep partner in crime Jeffrey Lewis mee op sleeptouw. Lewis debuteerde toen met The Last Time I Did Acid I Went Insane And Other Favourites

Toch was Lewis lang geen onbekende binnen de New Yorkse scene. De man, parttime striptekenaar en parttime muzikant, had immers in beperkte kring al een indrukwekkend aantal releases op zijn naam staan vooraleer Rough Trade hem oppikte. Tussen het debuut en It’s The Ones Who’ve Cracked That The Light Shines Through door, prutste Lewis binnen de eigen kleine kring overigens verder aan allerlei materiaal dat nauwelijks het daglicht zag.

Met zijn derde album City & Eastern Songs, ditmaal samen met broer Jack, lijkt alvast een einde gekomen te zijn aan de huisvlijtreleases, zelfs al is er op muzikaal vlak weinig veranderd. De rammelende anti-folk / lo-fi countrybluesrock van Lewis wordt ook op dit album afgewisseld met enkele snellere punksongs en ook de teksten zijn opnieuw afwisselend tragisch en ronduit hilarisch.

"Posters" sluit mooi aan bij een psychedelische lo-fi rocktraditie dankzij een scheurende gitaar en tweestemmige zang. "Don’t Be Upset" leunt dan weer sterk aanbij countryfolk door een klagende viool de eerste partij te laten spelen terwijl een tandeloze debiel vingervlug aan de snaren plukt. "The Singing Tree" steunt op een akoestische gitaar waarbij zachte klanken en een voorzichtige bas de achtergrond opvullen.

Ook in "Moving", "New Old Friends" en "Had It All" wordt de zachtere kant van Lewis benadrukt, terwijl in de snedige punksongs "Something Good", "Time Machine", "Artland" en "They Always Knew" niet alleen de gitaren door merg en been snijden, maar ook Lewis zich de longen uit het tengere lijf schreeuwt. Buitenbeentje bij uitstek is evenwel "Anxiety Attack" dat elektronica met folk verzoent.

City & Eastern Songs is dan ook geen verrassing voor wie Jeffrey Lewis al leerde kennen via It’s The Ones Who’ve Cracked That The Light Shines Through, The Last Time I Did Acid I Went Insane And Other Favourites of via het oudere, dan wel meer obscure werk.

Toch blijft dit album een aanrader voor meer dan alleen de die hard fans, al was het maar voor het nu al lang legendarische "Williamsburg Will Oldham Horror", waar Lewis tijdens een ontmoeting met — vermoedelijk — Will Oldham niet alleen reflecteert over de kleine indie-scene maar er ook door dezelfde Oldham anaal verkracht wordt met de woorden "All artists are pussies". We hadden het zelf niet beter kunnen verwoorden.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

negentien − zeven =