Meuris :: Mirage

Drie jaar geleden was er Spectrum, een plaat waarop Meuris, Stijn Meuris, terugblikte op 20 jaar muziekcarrière, bestaande uit 10 jaar Noordkaap en evenveel jaren Monza. Sindsdien werd het aardig stil rond ‘s mans muzikale uitspattingen, die ene soundtrack niet nagelaten. Het kon niet blijven duren. De nooit stilzittende rebel in Meuris moest ooit wel eens terug de kop opsteken, en dus kwam er: Mirage.

Wat al meteen van bij de aan The Cure schatplichtige openingstrack opvalt, is de prominente rol die de bas speelt op dit album. Zelden hebben wij een bas gehoord die in zulke mate naar voren wordt geschoven. En blij dat we daarmee zijn, want er vallen hier een paar waanzinnige baslijnen te plukken.

Dat de bas zo op de voorgrond staat, kan maar een van twee dingen betekenen: ofwel overheerst hij alles, ofwel krijgt hij de nodige ruimte om zich uit te drukken. In het geval van dit album is het dat tweede. Laat dat net een van zijn sterktes zijn: er zitten geen overbodige franjes in. Meuris en co gaan terug bewust op zoek naar een zekere leegte. Neen, wij willen niet gezegd hebben dat u zich moet verwachten aan een singer-songwriter album met enkel akoestische gitaar en zang, maar wel dat er niet van begin tot eind steevast minstens tien gitaarlijnen en dubbel zoveel synthesizers moeten te bespeuren vallen.

Neem nu pakweg “Dan Ga Ik Mee”, dat opent met een nerveuze basnoot, om na vijf seconden bijgestaan te worden door simpele maar efficiënte drums, en een spaarzaam, in galm gedrenkt gitaarlickje in het rechterkanaal. Je moet verdorie al quasi impotent zijn, wil je geen erectie krijgen op dit heuglijke punt. Meuris valt na 18 seconden in, en we moeten nog een dikke halve minuut wachten eer de crunchy gitaar in het linkerkanaal van zich laat horen. Allemaal spaarzaam. Allemaal transparant. Iedereen krijgt ruimte om te ademen, en u, als luisteraar, krijgt ruimte om u te vergapen aan de prachtige opbouw. Naarmate het nummer vordert, wordt de synthesizer pad, die oorspronkelijk ver in de achtergrond de boel wat opvulde, wat meer naar voren geschoven, en wordt er stilaan wat meer gescheurd, maar het wordt nooit nodeloos wijds, nooit geforceerd.

Die opmerkingen gelden ook voor het album als geheel: ijzersterke opbouw, en nooit geforceerd. Alles klinkt natuurlijk en spontaan. Kent u dat gevoel, dat u naar een nummer luistert dat eivol zit, en dat technisch gezien feilloos klinkt, maar dat zo krampachtig overkomt dat u er hoofdpijn van krijgt? Alsof u de wanhoop en verveling kan voelen van zij die hun hersenen hebben moeten breken over nog maar een ideetje om erbij te proppen. Niets van dat alles hier. Dit klinkt als een groep muzikanten die zich rot amuseren, wat het allemaal zelfs een aanstekelijk tintje geeft. Er moet niets bewezen worden, het moet verdomme gewoon klinken.

Ook de teksten bevatten weer enkele pareltjes om duimen en vingers bij af te likken en waarin Meuris doet waarin hij zo goed is: op sarcastische wijze de schijnheiligheid en kleinburgerlijkheid via rake en gebalde observaties tot op het bot uitkleden en voor schut zetten. Vaak zit daar ook net het briljante: Meuris zeurt of mekkert niet, maar constateert en confronteert. Niet zelden gebeurt dat door het — al dan niet gewenst — opwekken van een schaamtegevoel, zoals op het spottende “Ik Denk Dat Ik Hem Al Een Beetje Ken”, of het door een ronduit belachelijk funky baslijn voortgestuwde “Het Is Weer Goed Geweest Vandaag”.

Anderzijds is Meuris ook weer niet te beroerd voor wat zelfkritiek van tijd tot tijd, zoals op “Ziel Verloren” en het vrolijk rammelende “Waar Spreken Wij Dan Ergens Af?”. Heel even wordt het wapen van de bijtende humor opgeborgen voor een wat serieuzere, misschien zelfs een beetje moraliserende toon in — ironisch genoeg — “Zonder Moraal”. Deze kleine uitschuiver wordt echter meteen weer goed gemaakt door opvolger “Wildvuur”, waarin Meuris’ hart wel lijkt te huilen voor enerzijds de pracht van de Natuur, en anderzijds de domheid van ons apenras. Een pure brok ongerepte passie.

Wat ons bij de briljante afsluiter brengt, die op zichzelf al reden genoeg is om dit album aan te schaffen. “Omerta”, met zijn door ingehouden woede verteerde ziel, wekt moordneigingen op, zo simpel is dat. De dramatische, hoge engelachtige gastvocalen verhogen die indruk alleen maar, en ook hier weer — we vallen in herhaling — worden we getrakteerd op baswerk dat het nummer ontegensprekelijk naar een hoger niveau tilt.

Kortom, Mirage is een album dat er staat, ongeacht of u dat nu leuk vindt of niet. Een volstrekt ongedwongen effort van Meuris en co, dat ongetwijfeld ook live nog voor vonken zal zorgen. U kan ons alvast verwachten tussen het publiek.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

acht − 3 =