Chris Lightcap’s Bigmouth :: Deluxe

De hoes van Deluxe (opnieuw een erg fraaie uitgave van het label) suggereert misschien dat het vooral gestroomlijnde retromuziek in de aanbieding heeft, maar niets is minder waar. Bassist Lightcap laat op z’n derde album –zijn eerste in zeven jaar– nog maar eens horen dat hij een band leidt die nu en dan prachtige hedendaagse jazz maakt.

En Lightcap is verstandig, want hij valt meteen in huis met z’n grootste troef: “Platform” is het soort track waar heel wat mindere goden een orgaan of twee voor veil zouden hebben. Dat heeft veel te maken met de toch wel indrukwekkende line-up, met stuk voor stuk sleutelfiguren uit de moderne jazz die er wonderwel in slagen om de werelden van traditie en avant te verenigen. Tenorsaxfenomeen Tony Malaby en drummer Gerald Cleaver waren er al bij toen Lightcap de band oprichtte aan het einde van de jaren negentig, maar intussen hebben ze het gezelschap gekregen van pianist Craig Taborn (die het hier vooral op Wurlitzer doet), tenorsaxofonist Chris Cheek en, op drie stukken, altsaxofonist Andrew D’Angelo.

Lightcap, die tekende voor alle composities, verstaat de kunst om te putten uit de meest uiteenlopende invloeden zonder daarbij z’n eigen coherente stijl en sound uit het oog te verliezen. Doorgaans gaat het om soulvolle stukken die nu eens lijken verder te bouwen op no nonsense jazz uit de jaren vijftig-zestig, maar net zo vaak stukken inlassen uit fusion en souljazz; of de grens met het experiment verkennen. Mooi is ook die frontlinie, met twee tenorsaxen, die dan ook nog eens vaak aan het harmoniëren gaan met elkaar, waardoor je meteen een enorme, verdubbelde schwung en rijke klankkleur in de muziek krijgt, die vaak de zwier en grandeur van een grotere band heeft.

Maar “Platform” is dus de trofee hier. Het opent met een eenvoudig thema van Taborn, die snel gezelschap krijgt van Cleavers’ ongeduldig tikkende drums. En dan zijn ze vertrokken, die bedwelmende saxen die schaamteloos flirten met melancholische popmelodieën, maar nu en dan ook hun stekeltjes laten voelen, terwijl de ritmesectie gewoon verder blijft rollen tot Taborn de song afrondt zoals hij ze begon: flemend en sloom, als een soundtrack bij seventies porn. Niets haalt dat niveau, maar “Silvertone” komt wel dichtbij, met z’n geduldige aanloop, gracieuze saxpartijen en expressieve finale met drie over, door en langs elkaar blazende saxen die zorgen voor een oplawaai van jewelste. Die laatste drie minuten zijn machtig.

Geweldenaar Andrew D’Angelo krijgt uitvoerig de kans om zich te bewijzen, wat hij ook doet met stekelige solo’s op “Ting” en afsluiter “Fuzz”, dat volledig tegemoet komt aan de verwachtingen die door de titel geschept worden: een potige groove, een van distortion stijf staande bas en een hecht saxthema dat de plaat op kloeke wijze uitgeleide doet. Daartussen valt er echter nog veel moois te beleven. Is de trage “Year Of The Rooster” bijna genoeg om de luisteraar in te laten dommelen, dan wordt het intensiteitsniveau weer aardig opgekrikt in de erop volgende songs, met Taborn op piano in “The Clutch” en vooral het hoekiger “Deluxe Version”, dat mooie interactie en exotische tinten laat horen.

Deluxe bewandelt heel bevlogen de grens tussen traditie en free jazz. Het bevat de vrijheid, openheid en weelde aan improvisatie van die laatste, maar dan wel op een manier die hand in hand kan gaan met sterke thema’s, harmonieën en aanstekelijke melodieën. Geen grensverleggend meesterwerk, maar een zelfzekere, goedzittende plaat met een lekkere flow en nonchalante souplesse. Een plaat waarmee je gegarandeerd “Wat staat er op?”-reacties kan ontfutselen aan zelfs de meest rabiate jazzhater.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

drie × 2 =