Craig Taborn :: Daylight Ghosts

Craig Taborn is een beest. Een verbazingwekkende all-rounder met de carrure en explosiviteit van een kooivechter. Een man die in staat is tot huiveringwekkend geweld, zoals te horen is op zijn recent verschenen duo-album met de Zweedse krachtpatser Mats Gustafsson, maar ook met ragfijne improvisaties, zoals op zijn machtige soloplaat Avenging Angel uit 2011. Zijn nieuwste album als leider zet vooral zijn kwaliteiten als componist van geraffineerd materiaal in de kijker.

Eigenlijk best opvallend hoe bescheiden Taborns discografie als leider eigenlijk is, want Daylight Ghosts is nog maar zijn derde sinds de decenniumwisseling: na dat ECM-debuut volgde enkel nog trioplaat Chants (2013). Als sideman bleef hij echter uitermate actief: onder meer Chris Lightcap, Roscoe Mitchell, Ches Smith en Chris Potter konden op zijn steun rekenen, terwijl hij ook in de weer was met tot de verbeelding sprekende bands als het Rocket Science-kwartet met Evan Parker, Peter Evans en Sam Pluta en Farmers By Nature, met William Parker en Gerald Cleaver. ’s Mans passage op de voorbije editie van Jazz Middelheim — om half een ’s middags op de slotdag — werd zowel door loyale fans als kersverse bekeerlingen beschouwd als een festivalhoogtepunt.

En dat is best straf, want Taborns muziek kan soms taai zijn. Zijn vrije taal is kristalhelder en voorzien van een voelbare richting, maar tegelijkertijd ontglipt het, gegidst door een innerlijke muze die soms eindeloos vertelt met meerdere spanningsbogen en een fenomenale dynamiek. Die beloont, maar verwacht wel eerst een inspanning. Daylight Ghosts is met negen vrij compacte stukken niet zo’n taaie brok, maar Taborn kiest opnieuw voor een minder voor de hand liggende aanpak. Met rietblazer Chris Speed, bassist Chris Lightcap en drummer Dave King beschikt hij over kleppers met indrukwekkende cv’s, maar het zijn niet zozeer de individuele als wel de groepskwaliteiten die centraal staan. Solo’s en individuele volumes zijn ingebed in een evenwichtig geheel, een balans waarbij meer open en bedeesde stukken worden afgewisseld met constructies die soms meerdere gedaantes herbergen.

Opener “The Shining One” is zo meteen eentje die met het unisono verkeer voor piano en sax misschien wel de indruk wekt dat het een strak geleide bedoening zal worden, maar ook in deze krappe amuse bouche is meteen al ruimte voor vrijheid. “Abandoned Reminder” schakelt vervolgens meteen al een versnelling terug. Of toch in de aanzet, want gaandeweg wordt er van binnenuit versneld en uiteindelijk huisgehouden in een noir-achtig sfeertje dat het mysterie intact houdt. Het is een indicatie van wat nog zal volgen, want momenten van introspectie en een ingehouden spanning wisselen elkaar af.

“The Great Silence” en een versie van Roscoe Mitchells “Jamaican Farewell” belichten de ingetogenheid. Het eerste is een uiterst Spartaanse compositie die van start gaat met een klarinetsolo en meteen op kamermuziekterrein terechtkomt, om vandaaruit opgesmukt te worden met hints van elektronica en percussie, terwijl het tweede met z’n dromerige flair zo uit een bedwelmende film had kunnen komen. Aan het andere uiteinde zijn er dan stukken als “New Glory”, een vrijer trippelend, subtiel dansend stuk met een latin-getinte vibe, waarin Taborn heel even de spieren losgooit, en dan is er hoogtepunt “Ancient”, dat bedachtzaam van start gaat met een fraaie solo van Lightcap in het hoge register. Vervolgens schuift de rest mee aan tafel en grijpt de optelsom steeds krachtiger om zich heen, om te belanden in een tumultueuze repetitieve trance waarvan je je afvraagt hoe ze er ooit in beland zijn.

Slotstuk “Phantom Ratio” keert nadrukkelijker terug naar de elektronische experimenten van eerdere albums, met het gebruik van een wat merkwaardige synth-loop en elektronische drums. Fascinerend, maar je kan je ook niet van de indruk ontdoen dat het niet helemaal op z’n plaats is in een plaat die het verder vooral moet hebben van gaafheid. Voor wie vuurwerk verwacht, verschijnt Daylight Ghosts dus met een bijsluiter, want de bruisende momenten van woeligheid worden een beetje afgevlakt door het ingetogen spel, waarbij je Speed soms zou willen aanzetten tot iets meer kleurtoevoeging. Maar dan zou je voorbijgaan aan de intenties van de leider die bewust deze subtiel inwerkende stijl najoeg en opnieuw tekent voor een album dat meerdere beluisteringen afdwingt.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

3 × 1 =