ICP Orchestra :: ICP 049

Hoewel het ICP Orchestra, dat zich ontwikkelde uit de oorspronkelijke, in 1967 (!) opgerichte Instant Composers Pool, zelden over de tongen van de gemiddelde jazzliefhebbers is gaan rollen, is het een constante gebleven in de Nederlandse jazz- en improvisatiewereld. Ook deze laatste release laat horen dat het intussen tot Nederlands cultureel erfgoed gerekend mag worden.

Geen idee of oprichters Misha Mengelberg, Han Bennink en wijlen Willem Breuker zo’n langlopend project in gedachten hadden, want meer dan veertig jaar lijkt op de een of andere manier niet te stroken met dat aan de fluxusbeweging verwante beginprogramma vol anarchisme, carnavaleske gekte en onwaarschijnlijke stijlbreuken. Breuker zocht in de jaren zeventig (na een intussen legendarische animositeit met Mengelberg) al andere oorden op, om zijn Kollektief op te richten, maar het ICP Orchestra bleef een uitlaatklep voor pianist Mengelberg en percussionist Bennink om de grenzen tussen oud, nieuw en ‘we zullen wel zien waar we geraken’ te bewandelen.

Ook anno 2010 klinkt dit orkest, dat op gezette tijdstippen rondtrekt met zijn kleurrijke visie op de jazzgeschiedenis, nog steeds even uniek. Het vernieuwende en zeker het potentieel aanstootgevende is er nu wel van af, maar die aanpak, de combinatie van eerbetonen aan iconen als Monk, Ellington en (de wat minder bekende pianist) Herbie Nichols aan de ene kant en de vrijheid aan de andere kant, blijft intact. Net als bij Clusone 3 (Bennink, Michael Moore en cellist en ICP-oudgediende Ernst Reijsiger) kan je het ene moment ondergedompeld worden in pompende vooroorlogse swing om even later, en soms is er niet meer dan een vingerknip voor nodig, alle hoeken van de kamer te zien te krijgen.

Het helpt natuurlijk ook dat deze muzikanten op elkaar ingespeeld zijn en in sommige gevallen al enkele decennia in elkaars gezelschap doorbrengen. Sinds album Aan & Uit (2003) is de samenstelling onveranderd gebleven, met naast Mengelberg en Bennink drie rietblazers (Michael Moore, Ab Baars en Tobias Delius), twee koperblazers (trompettist Thomas Heberer, trombonist Wolter Wierbos) en drie strijkers (cellist Tristan Honsinger, bassist Ernst Glerum en violiste Mary Oliver). Deze ongewone bezetting garandeert meteen al een aparte sound, die ook nu te situeren valt tussen kamermuziek, big band en labiel balorkest. Mooi is ook dat niet constant de kaart van de decibels getrokken wordt, met soms ingetogen deelfracties, afgewisseld met collectieve blaat- en schraappartijen.

Je hebt als luisteraar geen elf songs (waarvan er acht werden opgenomen in Amsterdam en drie in Maasmechelen) nodig om een idee te krijgen van het stilistische bereik van dit orkest, want dat zit al mooi vervat in de eerste drie: “Niet zus, maar zo” is een korte absurde song, met krakende voordracht van Mengelberg, die zo uit een opera van Kurt Weill had kunnen komen, terwijl het erop volgende “Wake-Up Call” z’n titel waarmaakt, met getokkelde en geplukte snaren en abrupte blazersuitbarstingen, dissonante en jakkerende, schreeuwerige oprispingen waarmee alle honden in de buurt compleet gek zullen worden. Dat wordt dan weer gevolgd door Michael Moore’s “Sumptious”, een gladde shuffle met bluesy spel en enkele momenten van dreigend onheil.

Het spelen met microbezettingen wordt ook ten volle benut: zo zijn er drie kortere songs, waarvan de titels verwijzen naar de voornamen van de participanten. “Hamami” is er eentje die vooral speelt met textuur, terwijl “Mitrab” in het teken van het contrast staat, met delicaat spel van Mengelberg en rauw geblaat van Baars. Niemendalletje “Erma”, een duel voor contrabas en viool, zoekt het dan weer tussen improvisatie en kamermuziek. Met enkel dergelijke stukken zou dit een taaie beluistering zijn, maar daar tegenover staan dan weer bruisende lappen als het onweerstaanbare “The Lepaerd”, met een zich kostelijk amuserende Bennink (die je constant hoort lachen en roepen op de achtergrond) en “No Idea”, dat na een introverte intro open bloeit tot een gelijkaardige brok optimisme, met mooie solo’s van Mengelberg en Heberer.

Het is ook boeiend om te horen hoe het orkest dat ouder materiaal binnenstebuiten keert: Herbie Nichols’ “Busy Beaver” en Ellingtons “Sonnet In Search Of A Moor” klinken niet bepaald als iets wat je verwacht te horen bij die namen, wat niet enkel aangeeft dat beiden meer waren dan zomaar een beboppianist en swingmeester, maar ook dat dit orkest creatief weet om te springen met zijn bronnen. Vooral de Ellington-bewerking, in een arrangement van Baars, verkent het hele palet van kleinschalige bluesy vingerknip, via kromme free jazz en pseudo-noir en sluit daarmee vooral aan bij de Mingus-aanpak.

Verrassen doet het ICP Orchestra dus zelden, al is een bevestiging al meer dan voldoende — meer hoeft dit tienkoppig gezelschap absoluut niet te bewijzen. Deze band aan het werk horen, blijft een belevenis, een eigenzinnige tocht door de jazzgeschiedenis én daarbuiten. Vijfenzeventig is Mengelberg intussen, maar op basis van ICP 049 kunnen we enkel besluiten dat hij niets heeft ingeboet aan creativiteit of het vermogen om een band rond zich te verzamelen die de eer van een van de legendarische vlaggenschepen van de Nederlandse afdeling hoog houdt.

Samen met ICP 049 verscheen ook de iets kortere LP-release ICP 050, die opnames bevat uit dezelfde concerten. Het gaat wel om andere nummers, waaronder deze keer ook werk van Thelonious Monk.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twintig − negentien =