Shutter Island

Voor de opvolger van het bejubelde, en tevens verfilmde, ‘Mystic
River’ wilde misdaadauteur Dennis Lehane het over een andere boeg
gooien. ‘Shutter Island’ moest een strenge, harde en uiteraard
pikzwarte hommage worden aan all things gothic, groezelige
pulpverhalen, het literaire werk van de Brönte-zusjes (Emily
schreef met ‘Wuthering Heights’ het bekendste voorbeeld) en B-films
uit de jaren ’50, zoals pakweg ‘Invasion of the Body Snatchers’.
Als we de filmversie van zijne Borsteligheid Martin Scorsese mogen
geloven – wij hebben het boek immers niet gelezen – is de man daar
met glans in geslaagd. De decors druipen van de sfeer (de film
speelt zich immers bijna uitsluitend af in kille, donkere gangen,
tochtige burchten en statige, overmatig versierde eetkamers). De
desoriënterende camerabewegingen en montage grijpen je bovendien
meteen bij je nekvel, en de klankband staat vol grillige,
bevreemdende klassieke muziek van hedendaagse componisten als John
Cage, Krzysztof Penderecki en popgoeroe Brian Eno. ‘Shutter Island’
is niets minder dan een zenuwslopende, kafkaiaanse nachtmerrietrip
die overloopt van de suspens, maar in de tweede helft helaas
lichtjes teleurstelt.

Veel mensen hebben de neiging om te beginnen zeuren als het op
het latere oeuvre van Martin Scorsese aankomt. Sure,
‘Gangs of New York’, ‘The Aviator’ en ‘The Departed’ waren degelijk
gemaakte genrefilms, maar ze konden zogezegd toch niet tippen aan
zijn oude klassiekers: ‘Mean Streets’, ‘Taxi Driver’ en ‘Raging
Bull’. Goed, daar kunnen wij inkomen – de historische relevantie
van een ‘Taxi Driver’ kom je nu eenmaal maar één keer tegen in een
carrière – maar toch! ‘Gangs of New York’ en ‘The Departed’ mogen
óók zonder schroom plaatsnemen in onze Grote Scorsese-top en moeten
geenszins onderdoen voor een ‘Goodfellas’ of een ‘Raging Bull’.
Afijn, wij willen u hier geenszins verleiden tot een debat over wat
nu net de beste Scorsese-film zou zijn. We willen maar zeggen: onze
verwachtingen voor ‘Shutter Island’ waren tamelijk hooggespannen.
Misschien daarom dat wij een klein tikje teleurgesteld de zaal
verlieten.

Het eerste uur is nochtans ij-zer-sterk. U.S. Marshall
Teddy Daniels (DiCaprio) en zijn partner Chuck (Ruffalo) komen vlak
voor een opstekende storm aan op Shutter Island, waar het beruchte
“Ashecliffe Hospital for the Criminally Insane” (een realistische
versie van het “Arkham Asylum” uit de Batman-strips) gelegen is.
Een gevaarlijke patiënte (Mortimer), de moordenares van haar eigen
kinderen, is pas ontsnapt, maar er is geen enkel spoor van hoe ze
uit haar cel zou kunnen zijn geraakt. Het onderzoek wordt
vervolgens langs alle kanten gehinderd en vermoedelijk zelfs
gesaboteerd door de mysterieuze psychiater Cawley (Kingsley).
Iedereen lijkt meer te weten, het hospitaal herbergt duidelijk
enkele lugubere geheimen en doorheen de verschillende stages van
wat er meer en meer begint uit te zien als een enorme samenzwering
begint Teddy langzaamaan te twijfelen aan zijn eigen geestelijke
gezondheid. Zijn identiteitscrisis leidt hem verder en verder in
een verschroeiende emotionele hel tot hij niet meer weet wie hij
mag geloven en wie hij kan vertrouwen.

Het eerste uur werken al die elementen zoals gezegd erg goed.
Scorsese vertelt in se het verhaal van een B-film, met veel
knipoogjes, briljant in beeld gezette genreclichés en enkele
knoerten van stereotypes (Max von Sydow mag een sinistere, uit
nazi-Duitsland geëmigreerde dokter spelen). Hij doet ongeveer wat
ook Sam Raimi deed met ‘Drag Me To Hell’: hij amuseert zich – al
blijft hij altijd net iets serieuzer van toon dan Raimi. In zijn
geestelijke opvolger van ‘Cape Fear’ stopt hij echter ook – getrouw
aan de roman – diepgravender thema’s, zoals daar zijn: een
politieke ondertoon (de voortdurende, paranoïde dreiging van de
Koude Oorlog), enkele effectieve flashbacks naar Teddy’s ervaringen
tijdens de Holocaust (met een fantastische pan-beweging om
de slachting van een hoop SS-officieren in beeld te brengen),
alsook enkele psychologisch verwarrende droomsequensen en een
handvol persoonlijke stokpaardjes, waaronder (uiteraard) waanzin en
(vooral) obsessie.

Relatief luchtig project of niet, Scorsese bewijst andermaal dat
hij een van de grootste cineasten uit de filmgeschiedenis is en
beheerst het medium tot in de puntjes. Elk shot is vlekkeloos
uitgekiend, uitmuntend gestileerd en perfect gekadreerd. Dan volgt
echter – driewerf helaas – een grote máár: hoe piekfijn Scorsese de
suspens ook opbouwt en hoe naadloos alles cinematografisch ook in
elkaar zit, je kan er niet omheen dat het scenario enkele spijtige
missers bevat. Zo is het tweede uur nogal stuurloos, met veel
uitleggerige gesprekken en scènes (vooral dialogen) die
gevoelsmatig net iets te lang duren. Daarna komt de climax, die ook
weer net iets te voorspelbaar is en waarbij we als uitsmijter een
‘Psycho’-achtige ontknoping krijgen waarin, in een dialoog van
minstens tien minuten, alles even netjes op een rijtje wordt gezet.
Het zal wel bij dat genre van de B-film horen, maar toch komt zo’n
exposé over psychoanalyse anno 2010 vooral houterig en gedateerd
over. Spijtig, want het ontsiert een anders feilloos opgebouwd
verhaal, dat door meer suggestie en minder hamerende dialogen veel
effectiever had kunnen zijn.

Leonardo DiCaprio staat ondertussen als vanouds geweldig intens
te acteren (zie hem smeulen vanbinnen!), maar hij doet dat gelukkig
opnieuw op onnavolgbare wijze. Zeg wat u wil over zijn eeuwige
babyface, maar het voormalige tieneridool blijft een van de beste
acteurs van zijn generatie – zelfs met een anders zo tenenkrullende
noooo!“-uitroep komt hij weg – al zou hij er goed aan
doen om volgende keer nog eens in iets luchtigers mee te spelen,
genre ‘Catch Me If You Can’. We zouden hem immers niet graag binnen
vijf jaar zien doodvallen op de set omdat hij weer eens zijn
innerlijke demonen op maximum overdrive aan het zetten is.
Verder is Kingsley voortreffelijk als ondoorgrondelijke
weirdo, doet Mark Ruffalo het erg degelijk in een nogal
ondankbare rol en mogen Max von Sydow en Jackie ‘Rorschach’ Earle
Haley langskomen in gesmaakte bijrolletjes.

Om het ter afsluiting met een klef statement te zeggen: een
Scorsese grand cru is dit niet. Met z’n 138 minuten sleept
‘Shutter Island’ te lang aan, het verhaal wordt bij momenten te
veel verteld door de personages, in plaats van door de film, en de
geweldige spankracht van de eerste helft valt in het tweede luik af
en toe in het water. Ome Martin is er echter wél in geslaagd om een
perfect gestileerd, duivels zwart en alles bij mekaar behoorlijk
imponerend misdaadmysterie slash horrorthriller in elkaar
te boxen. Meer moet dat voor één keer niet zijn; ‘Shutter Island’
bevat immers genoeg overrompelende momenten om uw innerlijke
cinefiel weer voor enkele weken weldoorvoed te laten rondhossen,
maar voor volgende keer hadden wij toch graag een nieuwe knock-out
in plaats van een lichte tik tegen het hoofd gehad. Tot volgend
jaar, Marty?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

dertien − acht =