Geen oeuvre zo uiteenlopend en intrigerend als dat van de Britse auteur Ian McEwan. Van een vingeroefening rond het thema artificiële intelligentie, over een whodunit verteld door een embryo naar een meditatie over de knechting door een verstikkende seksuele moraal tot een roman die aan de hand van een levensverhaal de geschiedenis van de 20ste eeuw vertelt: wie ziet daar nog een rode draad in? Feit is alleszins dat McEwans werk zich niet in een vacuüm afspeelt. Steeds is er de nabijheid van de literaire traditie. Tegelijk zoekt en vindt de auteur steevast aansluiting bij de grote filosofische thema’s die een mensenleven domineren.
Lessen is een groots opgezette roman, toch zeker in het licht van McEwans volledige oeuvre. Het hoofdpersonage is een man die ettelijke jobs aanneemt en van verschillende markten thuis is, zij het geen Forrest Gump die zelf het wereldtoneel mee vormgeeft. Integendeel, de protagonist staat aan de zijlijn, veroordeeld tot een rol ergens in de coulissen. Hij is vooral een speelbal van de grote politieke en ideologische krachtsverhoudingen die de vorige eeuw hebben getekend. Handelend in de wetenschap van een naderende kernoorlog, of aanschuivend aan een checkpoint tussen West- en Oost-Berlijn: hoewel hij op generlei wijze de omwentelingen eigen aan het tijdsgewricht kan sturen, ondergaat hij ze wel, en tekenen ze de keuzes die hij maakt. Subtiel laat McEwan op die manier zien dat we allemaal kinderen van onze tijd zijn, en dat het maatschappelijk kader geen triviaal decorum is, maar een wezenlijke impact heeft op de existentiële richting die we kiezen.
In zekere zin is Lessen de MeToo-roman van McEwan. Hoewel het narratief gegeven simpelweg lijkt te passeren in de eerste hoofdstukken, kan de lezer zich onmogelijk van de indruk ontdoen dat de seksuele ervaringen van het hoofdpersonage, dan nog een prille tiener, later een enorme impact hebben op zijn levensloop. Het gaat daarbij trouwens niet om geheel vrijwillige ervaringen, althans, dat is discutabel. Het personage knoopt immers een relatie aan met de ongeveer tien jaar oudere pianolerares, die ondanks het relatief geringe leeftijdsverschil in alle opzichten zijn meerdere is. Hij is nog schoolplichtig als scholier, zij heeft een huis, een baan en een vast loon. Zij is bovendien zijn docente, kortom, zij houdt – letterlijk en figuurlijk – de sleutels van hun beider toekomst eenzijdig in handen.
Ontworstelt de protagonist zich aan haar overheersing? Het antwoord is tweeledig. Hij blijft niet in haar klauwen achter, maar leidt naderhand wel een bestaan waarin hij het amoureuze en het seksuele moeilijk op elkaar afgestemd krijgt. Zijn prille ervaringen lijken de kiem van een bepaald hedonisme, dat hem karakterieel blijft typeren. McEwan is weliswaar verstandig genoeg om de latent sluimerende vraag in welke mate de oorspronkelijke gebeurtenissen van blijvende invloed zijn geweest niet te willen beantwoorden. Dat de tiener zich intuïtief aan seksuele escapades overgeeft, is logisch, maar evengoed indicatief voor een zinnelijke honger boven het psychologische register. De getroebleerde verhouding met zijn vader en het nomadische rondzwerven als kind, waardoor er nooit echt sprake is geweest van een vaste haven als thuisfront, doen de rest.
Hoeveel van de latere beslommeringen voortvloeien uit aangeboren dan wel aangeleerd gedrag, valt kortom onmogelijk te zeggen. Precies zo gaat het er trouwens in de realiteit aan toe: verklarende modellen zijn per definitie een mal waartoe een biografie al te vaak gereduceerd wordt. Toch maakt McEwan de opeenvolging der feiten erg aannemelijk. Precies daarin toont zich het grote talent van de auteur: zonder het belerende vingertje op te houden, reflecteert dit boek over wat het leven maakt tot wat het is. Die abstracte onderstroom, gevoed vanuit de anekdotiek van het narratief, maakt de leeservaring des te meer interessant.
Naast het geschiedkundige discours, waarmee McEwan het geheugen van menig lezer ongetwijfeld opfrist, gaat Lessen ook over de genese van kunst, over de offers die het artistieke bestaan vergt, en over de verhalen die kunstenaars zichzelf vertellen om hun werk te kunnen maken. Klinkt dat al te ambitieus? Weet dan dat McEwan meer aanraakt dan ontleedt, meer toucheert dan uitspit. Daaruit ontspruit overigens zijn immense verhalende kracht: hoewel de honderden bladzijden een op zich vrij onbeduidend levensverhaal voor het voetlicht brengen, haalt de lezer er net die materie uit die resoneert met het eigen bestaan.
Dat maakt Lessen tot fascinerend vakwerk van een uitzonderlijk begaafd auteur, geschreven met een prettig-ironische stem en perfect opgedeeld in een aantal kapittels die een periode uit het leven beslaan, van waaruit de hele biografie zich ontspint. Het predicaat “meesterwerk” verdient dit boek, dat daarvoor allicht wat te lijvig en te vrijblijvend van toon is, niet. Maar wie zich graag urenlang onderdompelt in een geestig en eloquent universum, kan door Lessen onmogelijk ontgoocheld geraken.



