Er is in Hollywood nog maar een handvol regisseurs actief die gepokt en gemazeld zijn in de klassieke cinema, ook al horen ze officieel bij ‘New Hollywood’. Het is dat clubje dat in de jaren negentienzeventig eigenzinnige films maakte én tegelijk de popcorncinema uitvond. Scorsese is van die eerste groep altijd de vaandeldrager geweest. Dat hij een documentaire van vijf uur krijgt, is hem meer dan gegund. Maar dat het resultaat blijft steken in een selectieve hagiografie en een halve ‘greatest hits’-jukebox, is een jammerlijke, gemiste kans.
Scorsese is een kwieke tachtigplusser. Maar mensen van die leeftijd, die in duizend interviews al duizend keer dezelfde anekdotes hebben verteld, moeten stevig aangepakt worden door een documentairemaker. Iemand die eigen research doet en hem confronteert. Pas dan krijg je inhoud die echt relevant is. Nu worden zijn verhalen behandeld als de Bijbelse waarheid. Alles wordt bekeken vanuit zijn POV, zonder de blik te verruimen naar de wereld om hem heen. Tenzij het dient om te benadrukken dat Marty “nooit mainstream was” en altijd moest knokken.
Hij is eerlijk over zijn gedrag, dat jarenlang balanceren tussen egoïsme en egocentrisme, en over de drugsverslaving die hem bijna fataal werd. Maar op geen enkel moment wordt diep genoeg ingegaan op de impact hiervan op de mensen om hem heen. De docu suggereert bijna dat het doel de middelen heiligt: een kunstenaar mag een eikel in het kwadraat zijn, zolang zijn kunst maar groots is. Dat is geen boodschap die je vandaag nog zonder weerwoord in een portret kan gieten.
Tweede fout van de makers: de focus op de acteurs. Natuurlijk, dat zijn de ronkende namen waarvoor mensen deze vijf uur gaan uitzitten. Maar wie echt iets wil weten, praat met cameramannen, production designers of leden van de postproductiecrew. Interviews met acteurs zijn in dit genre bijna altijd waardeloos. Ja, ze zijn geweldig in zijn films, omdat Scorsese alles tot in de puntjes voorbereidt in preproductie. Daardoor heeft hij op de set alle tijd en geduld voor hun vragen. Acteurs voelen zich gehoord, maar hun lofzang levert hier zelden relevante televisie op. Gelukkig komen editor Thelma Schoonmaker en mederegisseurs als Spielberg en De Palma wel aan het woord om de boel te verrijken. De maker van deze docu is echter Rebecca Miller (de vrouw van Daniel Day-Lewis). Dat opende ongetwijfeld deuren, maar het vernauwt haar blik te veel tot de sterrencast.
Gelukkig valt er ook genoeg te genieten. Scorsese is een aanstekelijke verteller. De getoonde schetsen en storyboards zijn ongelooflijk. Ze bewijzen wat voor uniek oog hij heeft. En dan die context: jeugdvrienden die vertellen op wie de personages uit de wijk gebaseerd zijn, leveren geweldige taferelen op van een naoorlogs New York. En wat zou Scorsese zijn zonder zijn needle drops? Niemand combineert zo perfect de juiste noot van The Stones met de juiste cut als hij. Hij ziet en hoort zijn films al volledig voor de eerste scène is ingeblikt.
Een absoluut pluspunt is de aandacht voor New York, New York. Die ene keer dat hij níet voorbereid was en begon te freewheelen. Het is een wonder dat tijdens de opnames zijn talent kon doorschemeren door de roes van megalomanie en coke. Al zegt het vooral ook veel over hoeveel afhangt van de voorbereiding, de crew en de postproductie. De opnames zijn doorgaans niet de belangrijkste schakel om een film te maken. New York, New York blijft, ondanks de chaos, een onderschat meesterwerk en de outtakes zijn om van te smullen.
Daarom is het zo jammer dat de aandacht zo ongelijk verdeeld is. De jaren 70 en 80 krijgen alle ruimte. De jaren 90 worden bijna afgewimpeld om snel naar de DiCaprio-jaren te gaan, en alles daarna wordt er in tien minuten doorheen gejaagd. Veel aandacht dus voor de hits: Taxi Driver, Raging Bull, Goodfellas, The Departed. De films die werken. Er had meer aandacht moeten zijn voor de films die tussen de mazen van de geschiedenis vallen, zoals Silence of Bringing Out The Dead. Juist die projecten vertellen ons veel meer over de kunstenaar Scorsese dan de Oscars en kassuccessen.
De reeks vertelt uiteindelijk een toegankelijk, chronologisch en braaf verhaal. De focus ligt, zoals altijd in zijn werk, op ‘saints and sinners’ – de twee termen die 95 procent van zijn personages definiëren. Als geheel is het een degelijke documentaire, maar er mist een scherpe invalshoek. Vooral de kritische noot ontbreekt. Scorseses binaire kijk op personages zorgt soms voor een afgevlakt effect, dat hij vervolgens compenseert met over-the-top situaties of indrukwekkende shots. Hier wordt hij op exact diezelfde wijze geportretteerd, volledig in de geest van Flaubert: “Madame Bovary, c’est moi.” De maker valt samen met zijn werk, en in deze documentaire durft niemand daar een kanttekening bij te plaatsen. Met alleen maar ja-knikkers maak je geen grootse televisie.
Mr. Scorsese is te bekijken via Apple+ TV



