Pelican :: What We All Come To Need

Kunnen klimaatconferenties u aan de reet roesten? Wilt u niet
wachten tot 2012 op die ridders van de Apocalyps? Haal dan de
eerste platen van Pelican in huis, want de gloeiende brokken
postmetal van dit kwartet uit Chicago doen de aarde meer opwarmen
dan de CO2-smog die dagelijks op onze autowegen wordt uitgebraakt.
Pelican smeedde op die albums een brutale en epische legering van
drones, sludge, metal en postrock die als de hamer van Thor wild om
zich heen sloeg. Op ‘City Of Echoes’ manoevreerde het viertal zich
echter tussen hamer en aambeeld met gebalde riffrock, resulterend
in een catchy, maar onvoldragen variant van hun overrompelende
sound. En het kan erger: op ‘What We All Come To Need’ zijn de
korte songs gebleven, maar de muzikale invulling is er enkel
vrijblijvender en doordeweekser op geworden.

Ironisch: met deze plaat maakt Pelican de overstap van Hydrahead
naar Southern Lord, het door Greg Anderson van Sunn O))) opgerichte
label. Je zou dan meer gulpen sludge en doom verwachten, maar neen
hoor. Pelican giet op deze plaat namelijk een paar zakken stoner,
hardrock en zelfs grunge in hun betonmolen van decibels. Het
resultaat kan bijwijlen nog steeds menige atoomkelder ten gronde
richten, maar de postmetal-stempel vervaagt meer dan ooit. In
vergelijking met de clash der oerelementen van ‘The Fire In Our
Throats Will Beckon The Thaw’ is ‘What We All Come To Need’ een
stuiptrekkend achterhoedegevecht.

De plaat is namelijk noch vlees noch vis. ‘What We All Come To
Need’ bevat weinig catchy en melodieus instant-headbangvoer à la
City Of
Echoes
‘, maar klinkt ook lang niet zo verpulverend als het
vroegere werk. Neem nu songs als ‘Specks Of Light’, ‘Ephemeral’ en
het titelnummer: ze modderen maar wat aan in plaats van kopstoten
uit te delen en kiezen eerder voor gezapig gemeander dan voor
kolkend geweld. Hetzelfde geldt voor ‘The Creeper’: het nummer
begint nog met wat feedbackdonder van Greg Anderson, maar al gauw
kruipen de gitaren uit die donkere krochten met bijna luchtige
hardrock. Het klinkt nochtans allemaal niet kwaad, maar de visie en
bezieling van vroeger zijn overduidelijk verdampt.

Gelukkig toont Pelican nog af en toe uit welk hout ze écht gesneden
zijn. Zo lijkt ‘Strung Up From The Sky’ eerst in hetzelfde bedje
ziek als de meeste songs, maar geleidelijk aan knijpt de band de
strot van de luisteraar harder dicht. Een onweerstaanbaar
crescendo, een onverwoestbare climax en een bloeddoorlopen biefstuk
van een doomriff: even krijgen we het beste van ‘City Of Echoes’ te
horen. Ook ‘Glimmer’ en ‘An Inch Above Sand’ zijn opgetrokken uit
hoekig beton en kwakken ons nog eens brutaal tegen de muur.

Een heel ander hoogtepunt is de afsluiter ‘Final Breath’. Voor
zover wij weten, is dit de eerste Pelican-track met vocals. En het
werkt nog ook! Het gitaarwerk dreunt voor een keertje teder en
ingehouden en laat de ijle stem van Allen Epley zweven boven de
afgrond. De song bewijst dat Pelican ook met een oorverdovende
verstilling kan overrompelen. Jammer genoeg had elke song op deze
plaat wel vocals kunnen gebruiken om de verveling tegen te gaan.
Voor het eerst in hun discografie is Pelican’s instrumentale rock
op zich namelijk niet genoeg om te kunnen boeien.

‘What We All Come To Need’ laat een band horen die het spoor
bijster is. Pelican wil niet langer teren op z’n vertrouwde sound,
maar de nieuw ingeslagen weg slaat als een tang op een varken. De
band laat sporadisch nog flarden van z’n talent horen, maar
verpulverende postmetal-opussen hebben we niet genoteerd. In het
slechtste geval verzandt de plaat zelfs in saaie en conventionele
(stoner)rockjams. En als we die willen horen, kopen we wel de plaat
van Them Crooked Vultures!

www.myspace.com/pelican

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

9 − zeven =