Cul-de-Sac




Er zijn niet veel regisseurs die zo snel zo veel artistieke
geloofwaardigheid hebben kunnen opbouwen als Roman Polanski. Zijn
eersteling, ‘Knife in the Water’, was meteen al goed genoeg om hem
een ticket naar het westen te garanderen, en met zijn opvolger
‘Repulsion’ won hij de Zilveren Beer in Berlijn. Polanski’s films
waren gericht op een nichepubliek dat de betere Europese thriller
kon waarderen, maar ze waren al vanaf het begin goed voor instant
erkenning in de pers en genoeg box office om hem aan het werk te
houden. In 1966 maakte hij, samen met zijn vaste co-scenarist
Gérard Brach, een bizarre psycho-seksuele zwarte komedie, die
thematisch als een tegenhanger diende voor ‘Knife in the Water’.
‘Cul-de-Sac’ is nog steeds één van zijn vreemdste films, maar
ontegensprekelijk fascinerend kijkvoer.

Dickie (Lionel Stander) en Albie (Jack MacGowran) zijn twee
gewonde criminelen die op de één of andere manier (de
omstandigheden worden nooit helemaal duidelijk) met hun auto
terechtkomen op het eiland Lindisfarne in Northumberland. Daar is
geen levende ziel te bespeuren, behalve de lichtjes geflipte George
(Donald Pleasance) en zijn jonge trofeevrouw Teresa (Françoise
Dorléac), die hun intrek hebben genomen in het afgelegen kasteel
waar Walter Scott ooit Rob Roy schreef. Dickie gijzelt het koppel,
in de hoop dat zijn opdrachtgever, de mysterieuze Mr. Katelbach,
hem en Albie komt redden. Tijdens de uren die volgen, ontstaat er
een mentale en fysieke machtsstrijd tussen Dickie, George en
Teresa, waarbij het lang niet altijd duidelijk is aan welke kant
Teresa eigenlijk staat.

Die plot klinkt als de set-up voor een traditionele thriller die
herinneringen oproept aan klassiekers als ‘The Desperate Hours’,
maar Polanski gebruikt een altijd vreemd en soms bewust
geperverteerd gevoel voor humor om van ‘Cul-de-Sac’ een wrede
zwarte komedie te maken. De film wordt hoegenaamd niet voortgestuwd
door de vraag of George en Teresa hun gijzeling zullen overleven,
maar eerder door de manier waarop de relatie tussen het koppel
wordt blootgelegd door het binnenvallen van de gangsters.

Vanaf de eerste seconde is het immers duidelijk dat het huwelijk
tussen de twee niet echt ideaal is. We komen te weten dat ze nog
maar tien maanden getrouwd zijn, maar aan het begin van de film
wordt Teresa geïntroduceerd wanneer ze met een andere man ligt te
rollebollen in de duinen. Achteraf, in hun slaapkamer, verplicht
Teresa George om haar nachtjapon aan te trekken en make-up op te
doen. Hij is te zwak om weerstand te bieden en speelt haar
spelletje mee. Polanski doet niet aan openlijke psychologisering
van zijn personages, maar geeft wel genoeg achtergrond opdat we
onze eigen conclusies zouden kunnen trekken. George is een man van
meer dan middelbare leeftijd die gescheiden is van zijn eerste
vrouw en zich nu met zijn Frans groen blaadje heeft teruggetrokken
van de wereld in een kasteel dat elke dag, met het opkomen van het
tij, letterlijk een eiland wordt. Zowel fysiek als mentaal zit hij
in een doodlopende straat: hij heeft zijn bruggen met vroeger
opgeblazen en blijft nu alleen achter met een vrouw die hem niet
serieus kan nemen. Wat Teresa betreft: zij heeft allicht voor
George z’n geld gekozen, om nu tot de conclusie te komen dat ze
zich kapot verveelt in dat kasteel. Haar flirt met een jongere man
uit de buurt en de manier waarop ze George constant probeert te
vernederen, zijn daar dan een reactie op.

De komst van de gangsters, en vooral Dickie, is dan net het
element dat blijkbaar nodig was om die hele situatie tot een
kritiek punt te brengen. Dickie is misschien geen groot
intellectueel licht, maar hij heeft wel door wat er aan de hand is
en wordt al snel de tweede persoon die George voortdurend vernedert
– zijn het dan iets minder subtiel dan Teresa. De tegenstellingen
tussen de twee mannen hadden trouwens niet groter kunnen zijn:
George is een mager, iel ventje met een kale kop en lichtjes
verwijfde manieren, terwijl Dickie een zware, bebaarde brok
mannelijkheid is met een stem die klinkt als schuurpapier dat tegen
120 kilometer per uur over asfalt is getrokken. Die tegenstelling,
en het complete onvermogen van George om ook maar een klein beetje
weerstand te bieden tegen Dickie, zorgt ervoor dat het hele
leugenachtige huwelijk tussen George en Teresa wordt onthuld als
wat het echt is: een doodlopend steegje, een cul-de-sac.

Had ik al gezegd dat dat alles een komedie hoort te zijn? Maar
dan wel één van de wreedste soort, waarin Polanski van zichzelf als
regisseur eigenlijk een vierde hoofdpersonage maakt, dat gretig
meedoet met het uitlachen van de personages. Hij zoekt hier humor
in situaties die in de meeste films aanleiding zouden geven voor
een ernstig psychologisch drama of een claustrofobische thriller.
In ‘Knife in the Water’ en, veel later, in ‘Death and the Maiden’,
zou hij een gelijkaardige materie overigens inderdaad op een
ernstige manier behandelen. Je kunt niet ontkennen dat hij die
humor ook effectief vindt – maar dan wel op een erg oncomfortabele
manier. De reacties op ‘Cul-de-Sac’ waren aanvankelijk erg gemengd,
omdat het vaak niet duidelijk is wat voor respons Polanski nu juist
van het publiek wilt op verschillende scènes. Wilt hij dat we
lachen, dat we terugdeinzen omdat het allemaal zo erg is of wilt
hij ons in spanning houden? Alle drie die opties zijn meestal open,
en de kijker mag die dan invullen met eender welke emotie hij
spontaan voelt. ‘Cul-de-Sac’ is wellicht de enige film die je op
maandag kunt zien als een hilarische, zij het erg zwarte, komedie,
en op vrijdag als een deprimerend drama, afhankelijk van hoe je
eigen pet staat.

Polanski gebruikt hier een knappe zwart-wit cinematografie met
eenvoudige, bescheiden, maar vaak wel erg elegante camerabewegingen
om dat verhaal te vertellen. De regisseur is altijd een visuele
classicus gebleven, die gelooft dat elke beweging gemotiveerd moet
zijn en dat elk shot een logisch point-of-view nodig heeft. Hier
wordt dat vooral duidelijk in een lange scène op het strand met de
drie hoofdpersonages, waarin Polanski in één lang shot bijna
onmerkbaar zijn camera van Dickie naar Teresa en terug naar George
laat glijden. Het is een shot dat niet de aandacht op zichzelf
trekt omdat de beweging niet opzichtig is – maar in die ene
beweging veranderen we wel twee keer van gezichtstandpunt. Dat heet
dan elegantie.

De acteurs zijn uiteraard doorslaggevend in dit soort film, en
alle drie de hoofdrolspelers doen hun job perfect, met Donald
Pleasance op kop. Hij geeft een zenuwachtige, excentrieke
vertolking, die toch consistent is in z’n excentriciteit. Het wordt
misschien nooit helemaal duidelijk aan wat voor neurose George
lijdt, maar Pleasance schept in ieder een erg consequente indruk
van een verknipt persoon. Françoise Dorléac en Lionel Stander
hebben het iets makkelijker met meer “normale” rollen en bouwen
onderling een sterke mentale en seksuele spanning op.

‘Cul-de-Sac’ is vreemd, soms traag (zeker tijdens het eerste
half uur) en trekt zo nadrukkelijk z’n neus op voor
genrebeperkingen dat hij zelfs frustrerend kan zijn. Maar het is
wel unieke cinema, die geen hokje nodig heeft om boeiend te
zijn.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

een × 1 =