For a Few Dollars More




Regie : Sergio Leone
Scenario : Sergio Leone, Luciano Vincenzoni

Toen Sergio Leone in 1964 ‘A Fistful of Dollars’ maakte, had hij
daarmee niet de allereerste spaghettiwestern geproduceerd. Het
genre bestond al een tijdje, maar had tot dan toe voornamelijk snel
gemaakte en nog sneller vergeten filmpjes voortgebracht, die
tegenwoordig quasi onmogelijk op te sporen zijn. ‘A Fistful of
Dollars’ was echter, ondanks z’n bescheiden budget, van een
kwaliteit waar mensen maar moeilijk naast konden kijken en, nog
belangrijker, hij was een gigantische sleeper hit in
Europa. Geen wonder dan dat er al snel een opvolger kwam. ‘For a
Few Dollars More’ kwam het jaar nadien al in de zalen – een
indrukwekkend tempo, zeker als je de epische allures van de prent
in aanmerking neemt – en toont een regisseur die blijkbaar heel
goed zijn lessen heeft getrokken uit zijn vorige ervaring. In
vergelijking met ‘A Fistful of Dollars’ is dit middenstuk van de
Dollarstrilogie een veel meer zelfverzekerde en technisch
geavanceerde prent. Leone was misschien nog niet helemaal volwassen
geworden (getuige daarvan het soms puberale gevoel voor humor van
de film), maar zijn gevoel voor ritme en stijl was wel opeens
geëvolueerd naar een veel hoger niveau.

Het verhaal draait rond Manco (Clint Eastwood) en Colonel
Mortimer (Lee Van Cleef), twee rivaliserende bounty
hunters,
die criminelen opjagen voor het geld dat er op hun
hoofd staat. Wanneer de psychopathische moordenaar El Indio (Gian
Maria Volonté) uit de gevangenis ontsnapt, gaan de twee
premiejagers dan ook allebei achter hem aan. Manco enkel omdat hij
de 10.000 dollar beloning wel ziet zitten, Mortimer omdat hij een
persoonlijke vendetta heeft met El Indio. Na wat onderling
getouwtrek besluiten de twee om samen te werken om de schurk te
pakken te krijgen.

In tegenstelling tot ‘A Fistful of Dollars’, gebruikt Leone hier
een origineel verhaal, in plaats van terug te vallen op een boek of
een eerdere film (‘Yojimbo’). Gedeeltelijk zal dat wel een gevolg
zijn van de juridische miserie waar de regisseur de vorige keer mee
bleef zitten: Akira Kurosawa had Leone een proces aangedaan wegens
inbreuk op het copyright. Niet onterecht, trouwens: ‘Yojimbo’ was
nergens vermeld als inspiratiebron voor ‘A Fistful of Dollars’ en
Kurosawa had nooit contact gehad met Leone of zijn medewerkers over
de film. Kurosawa werd in het gelijk gesteld en verdiende meer aan
‘A Fistful of Dollars’ dan hij ooit aan één van zijn eigen films
had overgehouden.

Hoe het ook zij, net zoals al zijn volgende westerns, vertrok
‘For a Few Dollars More’ met een originele plot, die veel
eenvoudiger was dan die van ‘A Fistful of Dollars’. De intrige is
eigenlijk heel simpel en welbeschouwd gebeurt er veel minder dan in
de vorige film. Maar waar ‘Fistful’ een zuinige 96 minuten duurde,
neemt Leone er ditmaal wel veel meer zijn tijd voor, door dat
verhaal te rekken over 126 minuten. Die trend zou zich voortzetten:
‘The Good, the Bad and the Ugly’, ‘Once Upon a Time in the West’ en
(de volledige versie van) ‘Duck, You Sucker’ duurden allemaal meer
dan twee uur en een half, terwijl hun verhalen die lengte eigenlijk
niet nodig hadden. Meer en meer gebruikte Leone de intriges van
zijn films als kapstokken om lang uitgerekte situaties aan op te
hangen. Situaties die soms vijf, tien minuten of zelfs langer
duurden, zonder daarom rechtstreeks invloed uit te oefenen op de
plot. In ‘A Fistful of Dollars’ was elke scène rechtstreeks
relevant voor het verhaal, elke scène droeg iets bij. Dat werd
steeds minder het geval in Leone’s film, die epischer werden
naargelang hun verhalen werden teruggevijzeld tot het
hoogstnoodzakelijke.

Neem bijvoorbeeld de eerste twintig minuten: die dienen enkel om
de twee bounty hunters voor te stellen. De plot begint pas
daarna, met de ontsnapping van El Indio. Leone gunt zichzelf de
luxe van die 20 minuten, alleen maar om sfeer te zetten, de toon
van zijn film duidelijk te maken en de personages te introduceren.
Niet dat daar op zichzelf veel werk aan is: Eastwood speelt een
ander personage dan in ‘Fistful’, maar dat maakt eigenlijk weinig
uit. Hij is opnieuw hetzelfde archetype: de zwijgzame
loner die enkel uit is op geld en zich van moraliteit niet
veel aantrekt. Lee Van Cleef, een acteur die tot dan toe nog nooit
een grote rol had gespeeld in een film maar meestal één van de
naamloze slechteriken in Amerikaanse westerns was, gebruikt zijn
indrukwekkende kop, met oogjes die continu ironisch lijken te
blinken, om een enigmatisch personage neer te zetten. Tijdens het
eerste half uur weten we niet of hij nu een goeie of een slechte
is, maar het is wel duidelijk dat hij, in tegenstelling tot het
Eastwood-personage, ouder, wijzer en bedachtzamer is. Naarmate de
film vordert, ontwikkelen de twee een soort vader-zoon-relatie, met
als ultiem moment van male bonding een scène waarin ze
samen appels uit een boom schieten. Gezellig.

Vrouwen blijven zeldzaam in Leone’s westerns – in ‘Fistful’ had
je Marianne Koch als een soort Madonnafiguur, hier blijft hun
aanwezigheid beperkt tot een prostituee hier en daar of een komisch
bedoelde hotelmadame. De spaghettiwesterns zijn jongensfilms, die
op emotioneel vlak zijn blijven steken op het niveau van een
tienjarig kereltje dat kussen en meisjes in het algemeen maar vies
vindt. Leone en zijn films voelen zich pas comfortabel wanneer het
gaat over mannen onder elkaar. Sommige critici hebben daar al een
homo-erotische subtekst in willen zien, maar ik geloof nooit dat
Leone dat bedoeld had. Zijn films bestaan op een aseksueel, of
zelfs preseksueel niveau. De enige scène van reële seksualiteit in
de hele film, is een verkrachtingspoging die eindigt in een
zelfmoord – seks komt er niet van, omdat het wordt verstoord door
geweld, een daad waar Leone zich gemakkelijker bij voelt.

Op technisch vlak voelt de regisseur zich hier duidelijk beter
in zijn vel. Hij weet ditmaal meer waar hij mee bezig is, wat zich
laat voelen in het doordachte tempo en vooral de bijzonder sterke
montage. Leone introduceert bewust verwarrende flash-backs, waarvan
we pas tegen het einde te weten komen wat die betekenen, hij rekt
de duels nóg langer uit, met nog meer close-ups en er zit een
geweldige scène in, waarin hij over en weer cut tussen close-ups
van Mortimer en de wanted-poster van El Indio: de beelden
krijgen daar bijna een stroboscopisch effect dat voor zijn tijd erg
gewaagd was. En over dat alles ligt natuurlijk de muziek van Ennio
Morricone, die nog epischer en experimenteler is geworden. Het
mannenkoor en de herkenningsmuziekjes voor alle drie de
hoofdpersonages worden hier consequent aangewend om de spanning op
te drijven, zelfs wanneer er eigenlijk niets gebeurt.

Waar ‘For a Few Dollars More’ wel in de fout gaat, is in zijn
gebruik van humor. Leone heeft zijn tongue hier firmly
in cheek,
en laat ons weten dat het eigenlijk allemaal maar om
te lachen is door regelmatig kluchtige scènes in te lassen met
ongelukkige hotelbedienden, telegrafisten en ga zo maar door. Leuk
geprobeerd, maar de humor is soms zo over de top dat ze de sfeer
van de film doorbreekt. Let op een scène waarin Eastwood met een
oude man gaat praten, die onophoudelijk klaagt over het lawaai van
de passerende treinen. Die man trekt bekken en gesticuleert als een
wilde, in naam van de gulle lach. Een lach die bij mij maar niet
wilde komen. Als er droge humor bestaat, is het tegenovergestelde
dan natte humor? Wel, laat ons zeggen dat ‘For a Few Dollars More’
dan natte humor bevat. Kletsnatte humor.

In ieder geval toont deze tweede spaghettiwestern een regisseur
die zijn stem gevonden had. De positieve kanten van zowel ‘A
Fistful of Dollars’ als ‘For a Few Dollars More’ zouden zich
vervolgens combineren in Leone’s eerste volbloed meesterwerk, ‘The
Good, the Bad and the Ugly’.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

12 + zes =