Das Cabinet des Dr. Caligari




Over het algemeen worden regisseurs Fritz Lang (‘Metropolis’) en
F.W. Murnau (‘Nosferatu’) aangehaald als dé twee grote filmmakers
van het Duits expressionisme uit de jaren twintig. Wie daarbij vaak
vergeten wordt, is Robert Wiene, een huisregisseur van nationale
filmstudio UFA (Universum Film Aktiengesellschaft). Nochtans was
het Wiene die verantwoordelijk was voor een aantal archetypische
expressionistische films – deze ‘Dr. Caligari’ is allicht de meest
bekende, maar ook zijn latere film ‘Raskolnikov’, uit 1923,
gebaseerd op ‘Schuld en Boete’ van Dostojevski, wordt beschouwd als
één van de hoogtepunten van de stijl. Simpel gezegd: beeld jezelf
een expressionistische film in, en wat je voor je ziet komt
waarschijnlijk regelrecht uit ‘Das Cabinet des Dr. Caligari’ (of je
die film nu al gezien hebt of niet). De decors staan schots en
scheef, de achtergronden zijn overduidelijk getekend op een scherm
en de belichting is een eminent artificieel spel van licht en
schaduw. In de zuiverste traditie van het Duits expressionisme, is
‘Dr. Caligari’ een film die zich laat voorstaan op zijn eigen
gekunsteldheid. (Wat een woord met negatieve connotaties is, maar
onterecht: de prent speelt zich nu eenmaal af in een universum waar
alles “gemaakt” is. Realisme wordt bewust vaarwel gezegd om plaats
te maken voor een surreëel droomlandschap.)

Het verhaal draait rond de student Francis (Friedrich Feher),
een student die samen met zijn vriend Alan (Hans Heinrich von
Twadowski) en Jane (Lil Dagover), de vrouw op wie de beide mannen
verliefd zijn, naar een kermis gaat. Daar ziet hij de show van Dr.
Caligari (Werner Krauss), een zelfverklaarde professor die
rondreist met Cesare (Conrad Veidt), een somnambulist die al sinds
zijn geboorte slaapt. De slaapwandelaar kan echter wel de toekomst
voorspellen, beweert Dr. Caligari. Wanneer Alan hem vraagt hoe lang
hij nog te leven heeft, is het antwoord schokkend: “Tot
morgenvroeg,” zegt Cesare. De volgende ochtend blijkt inderdaad dat
Alan vermoord werd. Kort nadien wordt er een verdachte opgepakt,
maar Francis blijft Dr. Caligari en Cesare verdenken. Na heel wat
verwikkelingen volgt Francis de dokter naar een gekkenhuis, waarvan
hij zowaar de directeur blijkt te zijn.

Eens een film een bepaalde leeftijd bereikt (en ‘Dr. Caligari’
werd uitgebracht in 1920), wordt het een sport voor filmcritici en
-historici om te bepalen in welke mate de geschiedkundige context
invloed uitoefende op het eindproduct. Films die kort voor of
tijdens de Tweede Wereldoorlog werden gemaakt hebben daar sowieso
altijd last van, maar Duitse films uit het interbellum – om
begrijpelijke redenen – nog eens tien keer zo veel. Da’s een aanpak
die op z’n minst gedeeltelijk wel z’n vruchten kan afwerpen: mensen
worden nu eenmaal beïnvloed door de wereld om hen heen, het zijn
mensen die films maken en daar gaan we dan. Duitsland beleefde een
zware financiële crisis en er heerste een wijd verspreid wantrouwen
in de overheid. Dan is het niet te ver gezocht om dat te linken aan
de opkomst van de horrorfilm (niet alleen deze, maar twee jaar
later ook het iconische ‘Nosferatu’), die per definitie een erg
negatief wereldbeeld bood. In het specifieke geval van ‘Dr.
Caligari’, is vooral de corruptie van autoriteitsfiguren belangrijk
– Dr. Caligari is een psychiater, de chef van een inrichting en
bijgevolg iemand die vrij hoog op de sociale ladder staat. Maar hij
is blijkbaar ook een krankzinnige moordenaar, dus zo zie je maar
weer.

Tot zover is die historische interpretatie van de film zinvol.
Andere theorieën moeten dan weer naar de vuilnisbak worden
verwezen: sommige critici, waaronder Amerikaanse filmgoeroe Roger
Ebert, suggereren dat de film een metafoor is voor het nazisme,
waarin Dr. Caligari dan allicht Hitler is en slaapwandelaar Cesare
het willoze Duitse volk voorstelt, dat volledig in zijn macht is.
Het is natuurlijk makkelijk om elke Duitse film binnen een
tijdsspanne van dertig jaar voor of na WO II in dat licht te
stellen, maar het slaat geschiedkundig gewoon nergens op: in 1920
stonden de nazi’s nog in bierkelders in München te tieren voor een
paar honderd mensen. Het zou nog jaren duren voordat ze groot
genoeg waren om invloed uit te oefenen op de kunst.

In ieder geval, de filmmakers waren zich zelf meer dan bewust
van de antiautoritaire subtekst van hun prent. Oorspronkelijk werd
Fritz Lang aangehaald als regisseur, en hij wist achteraf Robert
Wiene te overtuigen om een proloog en epiloog toe te voegen aan het
verhaal. Wie het einde niet wilt weten, slaat deze alinea best
over, want ik ga het nu verklappen: in de epiloog blijkt dat
Francis zelf een psychiatrische patiënt is, en dat het hele verhaal
gewoon uit zijn waanbeelden bestond. Dr. Caligari is inderdaad de
directeur van het gekkenhuis, maar dan wel een minzame, sympathieke
figuur. Het is waarschijnlijk de eerste twist ending in de
filmgeschiedenis, die twee doelen dient: ten eerste wordt de
kritiek op hogere instanties daarmee afgezwakt, omdat het toch maar
over het geraaskal van een krankzinnige gaat. (Je zou dat een
ietwat laffe vorm van zelfcensuur kunnen noemen.) En ten tweede
wordt de expressionistische setting van de film daarmee rationeel
verklaard: de decors hebben bizarre, scherpe hoeken, de
achtergronden lijken soms wel kindertekeningen en ga zo maar door –
maar dat komt omdat het zich allemaal afspeelt in de ziekelijke
geest van Francis. Wat we zien tijdens het overgrote deel van de
film, is zijn mentale landschap, dat vanzelfsprekend verdraaid en
verwrongen is. Ook in dat opzicht is ‘Dr. Caligari’ een zuiver
typevoorbeeld van het expressionisme: de uiterlijke visuele stijl
van de film geeft expressie aan het innerlijke van het
hoofdpersonage.

Zo vooruitstrevend als de prent visueel is, blijft hij wat de
plot betreft toch hangen in de tradities van het theater – je mag
tenslotte niet vergeten dat de cinema ontstond als curiosum
(“bewegende beelden, komt dat zien, komt dat zien!”), en dat toen
mensen het medium gingen gebruiken om verhalen te vertellen, het
hun eerste instinct was om terug te vallen op het enige andere
medium waarin verhalen fysiek werden uitgespeeld: het toneel. En
dus krijgen we hier een formele opdeling van de plot in zes akten,
die allemaal netjes een eenheid van actie vormen. Je verwacht bijna
dat er tussen elke akte een doek naar beneden wordt gelaten (hoewel
de titelkaarten die functie eigenlijk overnemen). Enkele jaren
eerder had D.W. Griffith die stijl van vertellen eigenlijk al
voorbijgestreefd met ‘Birth of a Nation’, waarin het camerawerk en
de montage onmisbaar waren om het verhaal verteld te krijgen, maar
die film was door de Eerste Wereldoorlog nooit in Duitsland
vertoond. ‘Dr. Caligari’ houdt het dus bij het simpelweg
registreren van scènes, met weliswaar al enkele dramatische
close-ups op gepaste momenten.

Is ‘Dr. Caligari’, bijna 90 jaar na zijn release, nog altijd een
griezelige film? Uiteraard niet – de decors en overdreven make-up
van de personages slagen er nog steeds in om een dreigende sfeer te
creëren, maar geen enkele film die zo oud is, kan, denk ik, echt
angstaanjagend zijn voor een publiek dat in de tussentijd gewend is
geraakt aan extreme cinema, zoals de recente vlaag torture
porn.
Hij is wel nog altijd boeiend om naar te kijken, in de
zin dat het verhaal, hoe rudimentair verteld dan ook, je wél
meesleept. Dat, gecombineerd met het historische belang van de film
en een visuele stijl die nog altijd tot de verbeelding spreekt
(waar denk je dat Tim Burton zijn mosterd heeft gehaald?) maken
hier sowieso een klassieker van die het verdient om herontdekt te
blijven worden.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zeventien + dertien =