Wild Beasts :: Two Dancers

Twintig jaar na the Smiths mag de Britse muziekjournalistiek zich nog eens verlekkeren op beloftevol indie talent van eigen bodem. Sinds Wild Beasts vorig jaar haar debuut Limbo, Panto uitbracht, werd de groep door de trotse eilanders enigszins voorbarig de hemel in geprezen als het langverwachte Britse antwoord op the Sunset Rubdown, Modest Mouse en the Arcade Fire. Met Two Dancers ziet het er niet naar uit dat de verwachtingen snel getemperd zullen worden.

Het meest karakteristieke aan Wild Beasts is zonder twijfel de acrobatische falsetstem van zanger Hayden Thorpe. Denk Antony Hegarty, denk Baby Dee, denk Mika. Zoals gewoonlijk bij dit type opvallende stemmen, wil het wel eens een ’love it or hate it’-effect sorteren. Vooral op de vorige plaat nam Thorpe’s vocale halsbrekerij vaak de overhand, waardoor de overdosis al snel bereikt werd. Overdaad schaadt en dat heeft de groep ook begrepen, want de vocale excessen en nichterige theatraliteit werden op Two Dancers stevig teruggedraaid. In sommige van de beste nummers van Two Dancers, zoals het majestueuze "All the King’s Men", is het overigens (de als Leonard Cohen klinkende) bassist Tom Flemming die de zang overneemt, terwijl frontman en uithangbord Thorpe naar de achtergrond wordt verwezen. Het is opmerkelijk dat dit toontje lager zingen in het geheel niet leidt tot een verlies aan identiteit of durf. Waar nodig schreeuwt, kreunt en zingt Hayden Thorpe nog steeds als een seksueel getormenteerde castraat. Saai is Wild Beasts niet geworden, maar de maturiteit begint ze ondertussen wel te naderen.

Hoewel Two Dancers erg poppy klink, is het in vele opzichten schatplichtig aan zowat alle belangrijke indie rock van de laatste decennia. In vergelijking met Limbo, Panto zit er een pak meer rock in, en klinkt het allemaal wat meer uptempo. Zeker het openingstrio van de plaat staat geen momenteel stil, kronkelt en draait, bouwt op en breekt weer af – en neigt voortdurend naar het dansbare, zonder het ook helemaal te zijn. Tempo- en ritmewisselingen zijn schering en inslag op zowat alle nummers van Two Dancers, maar centraal staan ze nooit. Nooit leiden ze de aandacht af van songstructuur of inhoud, en staan er veeleer in het verlengde van dan ze te bruuskeren. Hoogtepunt van Wild Beasts’ uptempo rock met glasheldere gitaarriffs is zonder twijfel "This Is Our Lot": nu al een dijk van een rockklassieker. Maar het kan ook subtieler. Zo had "Empty Nest" moeiteloos kunnen door gaan voor een nummer van Grizzly Bear’s nieuwste plaat. Ook wanneer de groep het werkelijk ingetogen aanpakt, zoals op het bescheiden "Underbelly", is het resultaat er geenszins minder om.

Voor een band die relatief toegankelijke indie rock maakt en meermaals naar pop lonkt, zijn de teksten van Hayden Thorpe op zijn minst opvallend. Seksuele frustratie, losbandigheid en drift vormen enkele van de voornaamste krachtlijnen van de thematiek op Two Dancers. De gemiddelde psycho-analist zou aan Thorpe’s teksten wellicht een vette kluif hebben – wat hij zelf overigens niet na laat op te merken. De voortdurende spreidstand tussen quasi vulgariteit enerzijds, en het literaire en cryptische anderzijds, doet meermaals aan the Sunset Rubdown of Wold Parade denken, maar dan op zijn Brits. Tekstueel én muzikaal hoogtepunt is zonder twijfel het slepende "We Still Got the Taste Dancin’ on our Tongues" ("Why should we feel bad for what we’ve done, we still got the taste dancin’ on our tongues"), dat met haar komende en gaande riffs een vaag gevoel van dreiging én weemoed weet te sorteren. Mooi…

Wereldberoemd in Groot-Brittannië zijn de heren van Wild Beasts al langer, en met "Two Dancers" ziet het er naar uit dat ze ditmaal ook buiten dat eiland enige roem zullen verwerven. Niet meer dan terecht, want dit is uitstekende indie rock van het zuiverste soort: boeiend, gedurfd en rockend. Een stevige aanrader.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

een + 14 =