Islands :: Arm’s Way

Slechts weinig albums hebben de laatste jaren de eer gehad zo grijs gedraaid te worden als Islands’ Return to the Sea. Hun debuutplaat, ondertussen alweer bijna drie jaar oud, zette de groep stevig op de kaart van menig indiefan. Met opvolger Arm’s Way lijkt Islands toch enigszins in de verkeerde richting op drift geslagen, al mag het geen slechte plaat heten.

In vele opzichten vond Return to the Sea de indierock opnieuw uit. In al zijn wispelturigheid en onvermoeibaar enthousiasme demonstreerde de groep hoe je een genre naar nieuwe hoogten kan stuwen door zoveel mogelijk conventies netjes aan je laars te lappen. Als een opgehitste puber zweepten de songs van het ene hoogtepunt naar het andere, met pareltjes als "Swans", "Rough Gem" en "Volcanoes" die bij de zoveelste beluistering nog steeds de nodige koude rillingen oproepen. Enkele jaren rijker en enkele groepsleden armer (Jaime Thompson, aka J’aime Tambeur verliet de groep enkele jaren terug) is aan het karakteristieke geluid van Islands weinig veranderd. Nick Thorburns stem slaat nog steeds om de haverklap zo heerlijk over naar falset, en die vertrouwde sneltreinvaart zit er nog steeds in. Van de speelse lichtvoetigheid en het gevoel van eindeloze creativiteit daarentegen valt nog maar weinig te merken. Hadden ze nog zwaarder geklonken dan op Arm’s Way, dan had de zee Islands ditmaal toch werkelijk verzwolgen.

In de aanloop naar het verschijnen van de nieuwe plaat werd al gefluisterd dat Thorburn het ditmaal een pak serieuzer meende met zijn muzikale exploten. Als grootste invloed werd — godbetert! — al eens verwezen naar jaren ’70-glamrockers als T.Rex. Het mag duidelijk zijn dat Arm’s Way met een hele hoop meer bombast en pathetiek overgoten werd dan haar voorganger. Het geluid van Mercury Rev is nooit veraf. De overijverige drums, de eindeloos uitwaaierende gitaarriffs en zelfs Thorburn’s zang krijgen in hun nieuwe jasje een overdreven dramatische dimensie. Het is dan ook ver zoeken naar de creatieve lichtvoetigheid van Islands’ eersteling. In ruil krijgen we steeds vaker ("In The Rushes", "I Feel Evil Creeping In") een volledig over-the-top geluid dat op maat van niet minder dan het Sportpaleis geschreven lijkt. Niet dat Koen Wouters en Regi niets van Islands zouden kunnen opsteken, maar we vonden de Canadese indierockers toch iets sympathieker toen ze nog muziek op mensenmaat maakten.

Dat één van de betere nummers op Arm’s Way ("Abominable Snow") nog uit de periode van the Unicorns — de cultband die aan Islands vooraf ging — stamt, zou voor menig criticaster een teken aan de wand kunnen zijn. Inderdaad valt de groep meermaals terug op het soort gratuite songs meezingmuziek die je koude kleren niet raken, hoe hard ze ook probeert. Met veel geste en bombast, maar al te duidelijk ontdaan van alle ziel of inhoud. Toch is het niet allemaal slecht op Arm’s Way. "Life In Jail" toont nog eens de groep in vol ornaat, onmetelijk ambitieus, heerlijk wispelturig en voor de verandering ook eens echt geloofwaardig. Het veel meer beheerste "To a Bond" is dan weer een song als een uitgesteld orgasme, voortdurend weigerend in de richting te gaan die je verwacht. Hoogtepunt "Creeper" had ten slotte allerminst misstaan op de vorige plaat. Dat er op Arm’s Way kwaliteitsrock te rapen valt, zullen we dus niet ontkennen, al moet je er wel de nodige ballast aan zielloze sérieux bijnemen.

Laten we wel wezen: hadden Islands vóór Arm’s Way eender welke andere plaat dan Return to the Sea gemaakt, dan werden ze nu wellicht alom voor hun vooruitgang geprezen. Maar Islands behoren potentieel tot de allergrootsten, en dan mag je wel iets meer vragen. Kortom, Arm’s Way is zonder meer een genietbare plaat, maar deze groep kan gewoon veel, veel beter.

Islands spelen op 4 februari in de Vooruit in Gent.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zes − een =