Beck :: Modern Guilt

Bijna vijftien jaar platen opnemen in alle mogelijke stijlen, en toch nog weten te verrassen en te boeien: daar moet je Beck Hansen voor heten. En al heeft de man er enkele magere jaren opzitten, Modern Guilt is opnieuw liefdevol ineengeknutseld vakwerk van de bovenste plank.

Ja, hoor, magere jaren: het is immers van het geweldige en ontroerende meesterwerkje Sea Change geleden dat ieders favoriete muziekomnivoor echt geweldig was. Guero uit 2004 werd dan wel met de nodige lof en grammy's beladen, het was toch vooral een album dat pijnlijk blootlegde hoe Hansen zijn creatieve piek al even achter de rug had, en in plaats van de popgeschiedenis vooral zichzelf krampachtig recycleerde. En al was opvolger The Information niet van hetzelfde type zielloos bandwerk, het leed een beetje onder een lang en breed uitgesmeerde ideëenoverload, en was niet coherent genoeg om de volle rit te boeien.

Modern Guilt had dan ook alles in zich om het zoveelste teleurstellende “truken van de foor”-plaatje op een rij te worden, maar dat werd het gelukkig niet. Integendeel; Modern Guilt is Becks kortste en tegelijk één van zijn interessantste platen tot nu toe, waarin de man tien nummers lang zijn liefde voor psychedelische sixtiespop koppelt aan filosofische en haast apocalyptische teksten over “Gamma rays” en zielenheil, ingegeven dan wel door een naderende midlifecrisis of een door L. Ron Hubbard neergepende kerkdoctrine. Existentiële psychedelica dus, door producer Danger Mouse opgepept tot een opwindende en benauwende geluidsgolf, waarin Beach Boys-melodietjes, surf, acidgitaartjes en Jean-Michel Jarre-keyboards versmolten zijn, om daarna in de perfecte popsongmal uitgegoten en kristalhelder afgemixt te worden.

De plaat toont zich vooral sterk in haar eerste vijf nummers: opener “Orphans” zet met zijn pulserende openingsdrone van diepe bassen en wereldvreemde synths meteen de toon, om daarna met haast Hanseniaanse zanglijnen te muteren in een typisch, maar daarom niet minder lekker, Beck-nummer. De geüpdatete, dansbare surfrockbrokken van “Gamma Ray” en “Youthless” gebieden dan weer om de beentjes los te gooien, terwijl het titelnummer zichzelf als een nieuwe versie van The Doors' “People Are Strange” presenteert, en er nog mee wegkomt ook. Het mooist wordt het echter wanneer “Chemtrails” komt binnengeslopen: melancholische, trippy psychrock waarin een intrieste, over de staat van het milieu lamenterende Hansen toch weer een wolk van een nummer, een brok muziek van een verslavende schoonheid, neerzet, en sinds lange tijd weer in staat is om met zijn adembenemende stem onze ziel te roeren.

Het is dan ook een beetje jammer dat niets op de tweede helft zo goed is als het openingskwintet. “Walls” probeert nog wel met overgave: het nummer krijgt overal lof toegezwaaid, terwijl wij alleen een leuk maar weinig spectaculair soulnummertje, gespeeld op een postmodern kerkorgeltje en versierd met gortdroge drums en viooltjes, horen. Dan passeert het stevige, uit een marihuanawaas aanwaaiende “Profanity Prayers” toch beter de test. Het vergelijkbare “Soul Of A Man” valt dan weer door de mand: dit is standaard Beck-rock, met die typische grungy riff, de netjes in toom gehouden feedback en de in echo zwelgende stemmen, die de man al sinds '94 met de regelmaat van de klok aflevert, en eerlijk gezegd, we hebben het al beter gehoord. Iets dat zeker ook geldt voor afsluiter “Volcano”, een typisch Sea Change-nummer dat een zachte hip-hopbeat op een ingetogen folknummer smijt; tekstueel heel sterk en beklijvend, maar muzikaal toch iets te licht bevonden. Voor “Replica” tenslotte halen we de mantel der liefde toch nog even boven: een streepje nerveuze drum 'n' bass, bedolven onder ijle toetsen, dat meer een interessant experiment dan een volwaardig albumnnummer lijkt. Maar uiteindelijk zijn geen van deze nummers echt storend of bezwarend slecht. Ze verzwakken Modern Guilt niet echt, maar geven de plaat toch een streepje van die irritante vakmanschapssleur mee.

De eindconclusie? Modern Guilt mag dan wel niet het achtste wereldwonder zijn, laat staan de stiekem nog altijd verwachte Odelay 2.0, maar het is boven alles een compact, consistent en, op enkele uitschuivers na, gewoonweg goed album dat aangenaam wegluistert, en de parels diep verborgen houdt in een knus geluidstapijt. Beck mag dan niet meer de kameleon van alternatieve rock zijn die hij ooit zo manisch en vol van passie vertolkte, maar als je op tijd en stond een plaat als deze aan de mensheid schenkt, dan ben je een hele grote meneer.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

drie − 2 =