‘War! What is it good for?’ Het antwoord is gelukkig nog steeds volmondig ‘Absolutely nothing’, maar toch. De plaat Help(2) van de NGO War Child en producer James Ford bulkt zo van de heerlijke indie dat we de geldbuidel trekken zonder een murmelend ‘vooruit dan maar’. Spaghettifestijnen aller lande: u weze gewaarschuwd.
Geld inzamelen voor kinderen in oorlogssituaties – daar zou zelfs niets tegenover moeten staan. De NGO War Child besluit dat wel te doen, met de compilatiealbums in de Help-reeks. Maar wat zijn we blij dat deze mensen dat concept niet verwarren met ‘in overbelichte videoclips badende gedrochten’. Ze grepen de telefoon, belden een zekere James Ford, diezelfde James Ford belde zijn eerdere samenwerkingspartners als Arctic Monkeys, Beth Gibbons, Fontaines D.C., en de trein was vertrokken.
En of het werkt! Tijd dus voor uw geliefde Enola om dezelfde aanpak te hanteren voor het bespreken van deze parel – wij trommelden onze primussen op en vroegen om hun favoriet nummer op de plaat kort te bespreken. Een compilatie van een compilatie dus. Nodeloos complex, zoals we het graag hebben. Hier gaan we!
James Ford en Arctic Monkeys, het is al bijna twintig jaar een magische combinatie. Hoewel het skelet van het nostalgische “Opening Night” eigenlijk al sinds hun AM-era ergens in een schuif ligt te wachten, lijkt het nummer recht uit de kofferbak van The Car te komen. Alex Turners vocals kronkelen louche over een voorzichtig klikkende drummachine en een bescheiden, maar dodelijk doeltreffend akoestisch gitaarlijntje. En maar opbouwen, tot we weer zo’n “Body Paint”-waardige finale krijgen. Exact zoals we ze graag hebben. Wat de betekenis van de bevreemdende lyrics betreft – iets met gemanipuleerde dobbelstenen en corruptie? – is uw gok vast even goed als de onze. De mannen lijken een avondje Boggle gespeeld te hebben, en daagden hun frontman uit om iets semi-samenhangends van de uitkomst te maken. En nog werken ook. Toon gezet, ready to “fall in love with everything”.
Al snel op de plaat krijgen de gerodeerde indiegoden assistentie van de nieuwe helden. Enter The Last Dinner Party, en hun “Let’s Do It Again!”. Het is melodieus, het is dansbaar, het is theater – kortom, Britpop op z’n best. Het nummer neemt een trage start, met een marsritme op een rake riff, voorzichtig heupwiegend in dat geweldige refrein, richting dat Meat Loaf-achtige slot. Erover die prachtig nostalgische tekst, en we krijgen haast een krop in de keel; het voelt aan als een scène uit een oorlogsfilm, het laatste uitzinnige feestje voor de bommen vallen.
Ook English Teacher zou je gemakkelijk kunnen labelen als het zoveelste indiehypeje van over het Kanaal in de slipstream van Black Country New Road, die ook op Help(2) te vinden zijn. Maar met hun bijdrage “Parasite” bewijst de band geen eendagsvlieg te zijn, met wat hulp van Blur-gitarist Graham Coxon. Langzaam kringelt het nummer naar boven, jazzy gitaarakkoorden als de diepe trek aan een sigaret. Arpeggio’s cirkelen rustig maar ongedurig rond de bezwerende stem van zangeres Lily Fontaine. Een nummer van aantrekken en afstoten, technisch maar altijd bloedmooi.
En als we het toch over de suf gehypete artiesten van het moment hebben: ja hoor, daar is-ie: Cameron “elke slof van mijn maffe voeten staat op Instagram” Winter brengt “Warning”, een waanzinnig intense preek over de niet te vatten paranoia en chaos van oorlog. Eerder spoken word dan popsong, ondersteund door die claustrofobische strijkers die het midden houden tussen “Eleanor Rigby” van The Beatles en “Burn The Witch” van Radiohead. “Good morning. This is your warning. There is so much work to be done on your house, and it’s not the kind of work you do around the house.” Het tolt, het tolt, het wordt ons zwart voor de ogen.
Ook de groten wagen zich aan de meer klassieke aanpak op dit soort protestplaten. En toch weet Depeche Mode er verdomd nog aan toe iets strafs mee te doen. In hun handen klinkt “Universal Soldier” van Buffy Sainte-Marie als een omineuze nachtmerrie, een synthdreun als een koortsdroom, waarin de stem van Dave Gahan klinkt als kwam hij van gene zijde, en Martin Gore er voor de fun nog wat loeiende alarmgeluiden doorheen stuurt. En klinkt dat “He says it’s for the peace of us all” vandaag als een nachtelijke tweet uit het rusthuis van dementerende leiders, dan zegt dat veel over deze tijden. Een cover voor de eeuwigheid, dit.
Net iets minder indrukwekkend, maar ook mooi, is hoe Fontaines D.C. “Black Boys On Mopeds” van Sinéad O’Connor naar zijn hand zet. “England’s not the mythical land of Madame George and roses / It’s the home of police who kill black boys on mopeds”, dreint Grian Chatten wars van het timbre van het origineel, en toch klopt het, voel je bijna evenveel woede en angst in de monotone spanning die de rest van de band uiterst traag opbouwt tot die instrumentale finale in een lapje lawaai mag eindigen.
Sinéad O’Connor is ook aanwezig in Bat For Lashes‘ bijdrage. De manier waarop Natasha Khan dat a capella begin van “Carried My Girl” pákt, ademt dezelfde stembeheersing uit, dezelfde grip op stil en luid. Hoe ze “crushing. CRUSHIIIING” roept, is indrukwekkend.
Het allerbeste zit meteen daarna, in die laatste bocht, met “Sunday Light” van Anna Calvi, Ellie Rowsell (Wolf Alice), Nilüfer Yanya en Dove Ellis. De akkoorden hebben tegen U2’s “All I Want Is You” geschurkt, maar dat is niet erg, want dat is van de beste U2. Met zijn vieren zingen ze de trage ballad naar een prachtig einde, mekaar aanvullend, koortje spelend, nooit egoïstisch hengelend naar de hoogste noot – af, Bono, àf – maar met respect voor elkaar samen de hoogte in. En ja, daar hoor je dat het een Anna Calvi-nummer is. En wàt voor een.
Aan grote bewegingen uiteraard geen gebrek op deze Help(2), maar ook in een wereld die spaak loopt, mag het af en toe zondagochtend zijn. Zo’n luie ochtend in bed met de geliefde, een tas koffie binnen handbereik. “Watch out, the world’s behind you”, maar nu nog even niet. Beth Gibbons haalt haar warmste timbre boven om de poëzie van Lou Reed uit te puren tot enkel liefdevolle troost overblijft. Op het einde laat een lapsteel nog even een traantje. Het leven uiteindelijk, “it’s nothing at all”. Het is zondagochtend, laat de zon maar binnen.
In de afdeling ‘Klein maar fijn’ is er ook het juweeltje “Obvious” van Wet Leg. Meer dan wat eenvoudige akkoorden van Hester Chambers en de krakkemikkige stem van Rhian Teasdale is het niet, maar het volstaat voor een pracht van een simpel en retro Velvet Underground-liedje, zo eentje waarvoor Lou Reed dan Nico aantrok of zo. In hetzelfde laatje waanzinnig doeltreffend: de kale Jeff Buckley-cover “Lilac Wine” door Arooj Aftab en Beck, uitdovend als een smeulende sigaret op de rand van de goedkope wandpiano.
Nog eentje, om ‘t af te leren? Vooruit dan. Sampha tapt uit nog een ander vaatje dan alle voorgaande, namelijk dat van de onderkoelde soul. “Naboo” is gelijke delen Michael McDonald, James Blake en – euh – eigenlijk ook Sampha zelf. Als een alien staart hij vanop zijn verre planeet naar de onze, denkend: wat in hemelsnaam?
En zo is het maar net. War – wat in ’s hemelsnaam. Het is dan ook wat dubbel dat zo’n vreselijk uitgangspunt deze drieëntwintig diamanten opgeleverd heeft op Help(2). Hoe mooier de noodkreet, hoe langer haar impact? We hopen het ten zeerste.




