Sigur Rós :: Með suð í eyrum við spilum endalaust

Naar aanleiding van de release van hun vijfde plaat laat Sigur Rós slechts één nieuwe track horen op hun MySpace. Liever leren ze u middels luistermateriaal hoe u die onmogelijke titel deftig uitgesproken krijgt. Humor. Mocht de wat cheesy hoes het nog niet verklapt hebben: Með suð í eyrum við spilum endalaust is de plaat waarop de band alle mystiek achter zich probeert te laten en de groepsleden gewone mensen worden die zoeken naar een antwoord op de massale schaal waarop ze tegenwoordig opereren.

Na Tàkk besefte Sigur Rós dat het eigen geluid verkend was en er nieuwe wegen bewandeld moesten worden. Tegelijk zag de groep zich echter geconfronteerd met een groeiend publiek, dat ongetwijfeld meer van hetzelfde verwachtte. De hele omgeving waarin Sigur Rós opereert, is dan ook zo anders geworden in vergelijking met 1999 toen Ágætis Byrjun een goed begin leek. Með suð í eyrum við spilum endalaust is een poging tot herdefiniëring, een manier om die nieuwe status als topband een plaats te geven in hun muziek.

”With a Buzz in Our Ears We Play Endlessly”: dat is de vertaling van die lange titel. Niet echt catchy, maar de hele aanloop naar de plaat zit vol met dit soort schijnmanoeuvres. Ook opener en eerst single “Gobbledigook” (“Onzin”; lachen, opnieuw.) is een stevige zijsprong die de luisteraars nog even op het verkeerde been zet: de percussie lijkt wel bij Animal Collective geleend, van het bekende etherische sfeertje is geen spoor meer te bekennen. Na drie minuten, echte singlelengte, is het voorbij.

De band permitteert zich ongetwijfeld een licht gegiechel: we zijn bij de neus genomen, want zo’n grondige verandering moeten we nu ook weer niet verwachten. En toch: met het heerlijk meefluitbare “Inní mér syngur vitleysingur” gaat Með suð í eyrum við spilum endalaust daarna behoorlijk stevig verder. De piano lijkt in de intro héél even weggelopen uit “She’s A Star” van James, de drums hameren rechttoe rechtaan zoals ze dat bij deze IJslanders nog niet vaak hebben gedaan. Dit is een popnummer, no more no less, maar ook nog steeds herkenbaar Sigur Rós.

”Inní mér syngur vitleysingur” laat meteen ook mooi de spreidstand van Með suð í eyrum við spilum endalaust horen. Net als bij “Íllgresi” later op de plaat, is dit duidelijk een uitloper van het akoestische, erg aardse Heim dat vorig jaar werd uitgebracht. De groep kiest dan ook vaak voor een ingetogen, songgerichte aanpak die in het dromerige “Gódan daginn” niet zo ver van het nieuwe Radiohead landt. Maar op de vijfde Sigur Rós gaat het er soms ook groots aan toe, zo bewijst het koor en het symfonisch orkest dat “Inni mér syngur vitleysingur” in een uitbundige finale toch weer naar de hemel stuwt. Nog mooier komen die extra gasten aan bod in het aanvankelijk wat meanderende “Ára Bátur”, waar het koor een slot aan bouwt dat zo van dienst zou kunnen zijn in een vierde Lord Of The Rings-film. De band laat het net lang genoeg duren om niet klef te worden. Bloedmooi.

Með suð í eyrum við spilum endalaust is minder een trip dan zijn voorgangers, maar eerder een collectie songs. Met de kwaliteit daarvan staat of valt dan ook alles, en er wordt al eens gestruikeld. De negen minuten van “Festival” halen halverwege helemaal de vaart uit het album, en geen versnellende finale die dat kan redden. Ook het instrumentale “Straumnes” had niet echt gehoeven, net als “Fljótavík”, dat iets te kaal is om helemaal te boeien.

Nog een première als afsluiter: “All Alright” is het eerste in het Engels gezongen nummer van de band en doet mooi ingetogen het licht uit: spaarzame piano, een Jonsi Birgisson die zijn falset achterwege laat en daaronder wat ingehouden hoorns. Sigur Rós heeft zijn draai gevonden als grote groep en kan dus vredig het doek laten zakken.

Eerder dan zich terug te trekken en het massale succes dat hen sinds Tàkk te beurt viel met enige argwaan te bekijken, hebben de IJslanders de enige moedige optie gekozen: muziek maken die dat grootse aspect probeert te omhelzen, maar dan zonder ook maar een duimbreed toe te geven aan dat grote publiek. Luister alleen al naar de manier waarop “Vid spilum endalaust” het breedste van U2 paart aan de eigen archetypische zwijmelklank: net als bij de Ieren klinkt de song verheffend, troostend, maar zonder begrijpbare tekst is het ook universeler, wordt de bombast vaag genoeg gehouden om verteerbaar te zijn.

Með suð í eyrum við spilum endalaust (De moeilijke titel op zich is al een statement) had hun X & Y-Waterloo kunnen worden, maar het werd een bescheiden triomf: een plaat waarop Sigur Rós bewijst toegankelijk te kunnen zijn, zonder dat er iets noemenswaardig moest veranderen. Koppig zichzelf zijn bleek genoeg.

Sigur Rós speelt op zaterdag 5 juli op Rock Werchter.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zeventien + zeven =