No Direction Home





205 min. / USA /
2005

“Bob is één van de meest complexe mensen die ik ooit heb
ontmoet. In het begin probeerde ik hem nog te begrijpen, maar dat
heb ik opgegeven – ik weet het ook niet. Ik weet alleen maar dat
hij ons veel gegeven heeft.” Dat zegt Joan Baez in de tweede helft
van ‘No Direction Home’, Martin Scorsese’s opmerkelijke
documentaire over folksinger en
uithangbord-van-een-generatie-tegen-wil-en-dank Bob Dylan. En dat
is dan een vrouw die jarenlang een relatie met hem had en zijn
carrière een serieuze boost had gegeven door hem op het
podium uit te nodigen tijdens haar optredens. Als zij hem al niet
kan doorgronden, hoe moet de rest van de wereld dat dan doen? Het
antwoord, zoals blijkt uit deze film, is dat dat niet de bedoeling
is. Zijn hele leven lang heeft Dylan zichzelf doelbewust
afgezonderd en is hij met alle macht ingegaan tegen pogingen om hem
te categoriseren. Wat ze ook over hem zeiden, hij deed zijn best om
het tegendeel te bewijzen. Hoe ze hem ook noemden, hij lachte die
definitie weg. Je moest hem vooral geen protestzanger, politiek
geëngageerde kunstenaar of topical folksinger noemen, want
op z’n best deed hij alsof hij niet wist waar je het over had, en
anders noemde hij je wel gewoon vlakaf een onnozelaar. Mensen
moesten hem helemaal niet kennen – ze hadden zijn muziek, en dat
moest dan maar genoeg zijn.

In zijn tweedelige, drie en een half uur durende film traceert
Scorsese het leven van Dylan vanaf de late jaren vijftig, toen hij
voor het eerst begon te zingen, tot in 1966, met zijn fel omstreden
Europese tournee waarin hij voor het eerst met elektrische
instrumenten optrad. Dylan werd geboren als Robert Zimmerman (de
“Dylan” adopteerde hij achteraf, in navolging van dichter Dylan
Thomas) en groeide op in Hibbing, Minnesota, een piepklein gehucht
waar de radio een venster bood op een schijnbaar onbereikbare
wereld. Dylan vertelt weinig over zijn jeugd of zijn ouders, maar
hij raakt niet uitgepraat over zijn ontdekking van Woody Guthrie,
een folksinger die hem voor het eerst een idee geeft wat
hij wilt doen met zijn leven: hij wilt liedjes zingen, net als
Woody. Rond 1960 verhuist Dylan naar New York, waar Greenwich
Village een opkomend centrum vormt voor de artistieke tegencultuur
– hij ontmoet schrijvers zoals beat-dichter Allen Ginsberg
en raakt langzaam maar zeker betrokken in een artistiek wereldje
dat de culturele status quo wilt doorbreken (grootste hit van die
tijd: ‘How Much is That Doggy At the Window’!). Dylan wordt ontdekt
door John Hammond van Columbia en zo mag hij zijn eerste plaats
maken – er staan twee originele nummers op, met voor de rest
folk standards. Het is pas daarna dat Dylan meer en meer
zijn eigen materiaal begint te schrijven en zich comfortabeler
begint te voelen als singer-songwriter.

Dat alles wordt meegegeven in het eerste deel van de
documentaire. Het tweede deel, dat eigenlijk nog interessanter is,
toont Dylan nadat hij is doorgebroken. Scorsese spendeert veel tijd
aan het schetsen van de historische context en hoe de muziek (van
Dylan zo goed als van anderen) daar deel van uitmaakte. Vietnam,
burgerrechten, het begin van de love generation… De
Amerikaanse jeugd kwam tot de conclusie dat de wereld er niet
uitzag zoals ze dat graag zouden hebben en ze waren vastbesloten om
er iets aan te doen. Jaar na jaar groeide dat gevoel, tot het een
punt van kritieke massa bereikte rond 1968 (een jaar dat evenwel
buiten het bereik van deze film ligt). Naarmate Dylan populairder
werd, werd hij ook steeds meer gebombardeerd tot symbool van die
generatie, van de tegencultuur, of hij dat nu leuk vond of niet.
‘Blowin’ in the Wind’ werd min of meer het lijflied van de
hippiebeweging.

Maar hoe meer verschillende groeperingen en politieke bewegingen
probeerden om Dylan op te eisen, hoe meer hij zich daar tegen
verzette. Hij wilde zich voor niemand z’n kar laten spannen en
wanneer journalisten hem uitspraken probeerden te ontlokken over
politiek, burgerlijk protest of de betekenis van zijn songs,
ontweek hij hun vragen.

Hetzelfde gold voor zijn publiek – in ’66, toen de hele wereld
hem veilig gecategoriseerd had als akoestische folksinger,
ging hij op tournee met The Hawks, een band die later zonder Dylan
verder zou gaan als The Band (en om maar aan te tonen dat toeval
niet bestaat: eind jaren zeventig maakte Martin Scorsese ‘The Last
Waltz’, een concertfilm over het afscheidsoptreden van The Band).
Die concertenreeks begon met een traditionele akoestische set, en
daarna, in de tweede helft, kwam de band er bij en gingen ze
plugged verder, met een sound die veel meer rock dan folk
uitstraalde. Zijn fans, die waren gekomen voor de Dylan die ze
kenden, waren woedend en jouwden hem avond na avond uit omdat hij
verraad zou hebben gepleegd aan zijn achtergrond. “Bob Dylan heeft
zich geprostitueerd,” horen we enkele razende toeschouwers achteraf
zeggen tegen tv-camera’s. “Het is banale pop geworden.” Maar Dylan
leek het zich niet aan te trekken: hij daagde zijn fans uit – als
ze dachten dat ze hem kenden, dat ze wisten wie hij was, mochten ze
gauw iets anders denken. Aan het einde van de film zien we hem aan
zijn plugged set beginnen met ‘Like a Rolling Stone’. Het
publiek begint alvast preventief boe te roepen, maar Dylan
schreeuwt duidelijk hoorbaar tegen zijn muzikanten: “Play it
fucking loud!”

Scorsese puzzelt dat verhaal aan elkaar met behulp van
uitgebreide interviews met zowat iedereen die Bawb ooit
gekend heeft en nog leeft, inclusief Dylan zelf, en een stortvloed
aan archiefbeelden, waarvan er veel nooit eerder te zien waren.
Structureel speelt de regisseur het erg slim door continu terug te
keren naar de beelden van de rampzalige concerten uit ’66 – één van
de meest gerespecteerde muzikanten ter wereld wordt uitgejouwd.
Waarom? Die beelden zijn inherent dramatisch, en zorgen ervoor dat
‘No Direction Home’, ondanks z’n lengte, toch steeds een sterke
spankracht behoudt. De archiefbeelden zorgen voor een rijke
historische context én vermijden dat de film een heiligenportret
wordt – veel van dat materiaal schildert Dylan niet bepaald in het
meest flatterende licht, zoals zijn soms groffe behandeling van
Joan Baez en zijn kinderachtige spelletjes met de pers. Ook nu nog,
in zijn hedendaagse interview, blijft Dylan iemand die zich niet
wilt laten kennen – hij is bereid om uitgebreid te praten over zijn
muzikale invloeden, maar zijn privéleven is schijnbaar verboden
terrein. Over onderwerpen zoals zijn relaties met vrouwen buiten
Baez (die rechtstreeks met de muziek te maken had) en zijn
druggebruik, wordt dan ook met geen woord gerept. (Om maar iets te
noemen: in 1965, binnen de periode waar de film over gaat, trouwde
Dylan, een feit dat niet eens vermeld wordt.) Wanneer een vraag dan
toch te intiem wordt, doet Dylan wat hij schijnbaar altijd al heeft
gedaan: hij danst om het onderwerp heen of geeft een antwoord dat
helemaal geen antwoord is.

Ondanks een aantal hiaten in het verhaal, is en blijft ‘No
Direction Home’ een meesterlijke documentaire, die het mysterie van
Bob Dylan tegelijk respecteert en probeert te ontsluieren.
Misschien zal niemand Dylan ooit kennen of begrijpen, behalve
hijzelf. Maar wie hem wilt leren waarderen, kan zich geen beter
startpunt wensen dan deze film.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

drie + 12 =