Met het semi-autobiografische Mean Streets werd Martin Scorsese dé belofte van de nieuwe Amerikaanse cinema van de jaren negentienhonderdzeventig. Taxi Driver bombardeerde hem dan weer tot icoon van die filmstroming en geldt vandaag nog altijd als een explosief meesterwerk.
Taxi Driver is een post-expressionistische nachtmerrie, volledig verteld vanuit het perspectief van de met afschuw vervulde Travis Bickle. Volgens deze door Robert De Niro vertolkte veteraan is de onderbuik van de stad een open riool geworden vol viezigheid en uitschot. Tijdens zijn vele nachtelijke omzwervingen in zijn taxi treft hij er immers enkel pooiers, prostituees, oplichters, dealers en junkies aan. In voice-over vertelt de getormenteerde ziel dat de regen ooit al het ‘ongedierte’ zal wegspoelen, wat de aankondiging is van de eenmanskruistocht die hij weldra zal ondernemen. De gewezen Vietnam-marinier hoopt richting te kunnen geven aan zijn leven. Maar hoe doe je dat in een stuurloze samenleving die kreunt onder stijgende criminaliteit en raciale spanningen?
Gelukkig ziet Travis niet enkel verval tijdens zijn ritten door New York, maar ook lichtpuntjes. Zo ontdooit de antiheld van Taxi Driver aanvankelijk bij Betsy (Cybill Shepherd), de aantrekkelijke campagnemedewerkster van een populaire presidentskandidaat. Voor Bickle is ze niet alleen een engel die nog niet door de grauwe atmosfeer werd aangetast, maar ook een archetypische all-American girl waarop hij zijn romantische ideeën kan projecteren. Als zij hem afwijst nadat hij haar meenam naar een seksbioscoop, breekt bij Bickle een veer. Daarnaast bekommert de protagonist zich ook oprecht om het lot van het twaalfjarige hoertje Iris – een piepjonge Jodie Foster.
Toch raakt Bickle steeds meer geïrriteerd door de neergang en het verderf van de grootstad. Gedreven door eenzaamheid en wanhoop verliest hij zichzelf in paranoia en zoekt hij zijn toevlucht tot geweld. De climax, waarin De Niro’s personage tot de tanden toe gewapend binnenvalt in het pand van Iris’ pooier (Harvey Keitel) en een bloedbad aanricht, komt door de rauwe directheid waarmee Scorsese het schokkende tafereel in beeld brengt aan als een mokerslag.
In die gewelddadige sleutelscène ziet Patrick Duynslaegher de ultieme clash tussen de calvinistische obsessies voor zondebesef en genade van scenarist Paul Schrader en het door Italiaans vuur aangewakkerde orthodox katholicisme van Martin Scorsese. Schrader schreef het scenario toen hij kampte met zware depressies en worstelde met zelfmoordneigingen nadat zijn huwelijk op de klippen was gelopen. Zijn grootste inspiratiebronnen waren Aantekeningen uit het ondergrondse van Fjodor Dostojevski en John Fords mytische western The Searchers uit 1956.
Niet iedereen geloofde meteen in Taxi Driver. Zo had Schrader het moeilijk om zijn nihilistische, in tien dagen gepende verhaal gefinancierd te krijgen. Zelfs Scorsese had maar weinig vertrouwen in de film, al geloofde hij wél in het script. Taxi Driver bleef echter in ons collectieve geheugen gegrift staan door de bravoure waarmee Scorsese diepte en gelaagdheid gaf aan dit scenario en daarbij ook stilitisch nieuwe grenzen opzocht. Later noemde hij Taxi Driver een hommage aan de vloeiende cameravoering van Samuel Fuller (Pickup on South Street) én zijn meest riskante film.
De stijl van het portret is ontstaan vanuit het idee dat films verwant zijn aan een soort roes die door drugs kan worden opgewekt. Een overtuiging die extra kracht wordt bijgezet door DOP Michael Chapman, die de op locatie gefilmde achterbuurten van New York een welhaast spookachtig karakter geeft.
Robert De Niro, die net als Scorsese in de New Yorkse volkswijk Little Italy opgroeide, beluisterde voor zijn rol regelmatig het audiodagboek van Arthur Bremer – die in 1972 de democratische presidentskandidaat George Wallace neerschoot. De Niro verdwijnt helemaal in z’n personage als ‘God’s Loneliest Man’ die altijd en overal door eenzaamheid wordt achtervolgd.
In het naslagwerk 1001 Films schrijft Joshua Klein dat er geen zwaarmoediger of meer claustrofobisch portret van grootstedelijke malaise en wetteloosheid bestaat dan het beeld dat Taxi Driver schetst. De kijker wordt meegesleurd in de donkere psyche en diepe pijn van een psychotische eenzaat en balanceert daarbij op de grens tussen empathie en weerzin.
Het feit dat we als toeschouwer toch begrip opbrengen voor deze buitenstaander, is wat Martin Scorsese probeerde uit te drukken in de visuele interpretatie van de film. Met schaarse middelen – die het gevolg waren van het krappe budget – weet Scorsese ons volledig onder te dompelen in deze verdorven metropool. Het is evenwel zijn technisch meesterschap en virtuoze regie (waarbij de regisseur van Boxcar Bertha en Alice Doesn’t Live Here Anymore zich van alle gebruikelijke regeltjes wist te bevrijden) die Taxi Driver tot één van de onbetwiste hoogtepunten van z’n carrière maakt.
De hevige emoties die het verhaal oproepen (schuld, paranoia, angst en verlangen) weet Scorsese te vatten in een sterke beeldtaal en montage. Zijn dwingende mise-en-scène, met zowel lang aangehouden tracking shots als dollyshots, heeft bijna iets plechtstatigs, maar ademt de sfeer uit van een film noir. Ze grijpt terug naar de vitale energie van Francesco Rossi en Rainer Werner Fassbinder of de innovaties van Jean-Luc Godard – met vlakke en frontale invalshoeken en een camera die het hoofdpersonage soms verlaat om later in dezelfde ruimte weer samen te komen. Er zit nagenoeg geen enkel camerahandshot in Taxi Driver. Scorsese maakte gebruik van veel kraanbewegingen en toch heeft de film het ruwe karakter van een documentaire.
Voorts wordt Taxi Driver ook beheerst door de droefgeestige score van Bernard Herrmann. De Amerikaanse componist – die werkte met meesters als Orson Welles en François Truffaut, maar voor eeuwig geassocieerd zal blijven met Alfred Hitchcock – overleed één dag na de voltooide opnames van zijn partituur.
Taxi Driver werd bij zijn release verdeeld onthaald en slechts door weinigen naar waarde geschat. De film kreeg de Gouden Palm op het festival van Cannes, maar werd schandelijk over het hoofd gezien bij de Oscaruitreiking. Vijftig jaar later blijft Taxi Driver echter ongeëvenaard: van bij de openingsscènes waarin De Niro in zijn yellow cab schijnbaar vanuit het niets opduikt in dikke rookpluimen van stoom, tot aan de verbijsterende finale in het bordeel en de epiloog waarin Bickle verlost blijkt uit de hel.
Naar aanleiding van de vijftigste verjaardag wordt Taxi Driver vanaf 15 juli tijdelijk hernomen in verschillende bioscopen verspreid over het land, onder meer in Kinepolis en de Gentse Studio Skoop.


