Seabear :: The Ghost That Carried Us Away

Voor ers van: kampvuurmuziek, Eels en
fluisterpop uit IJsland.

Dat er in IJsland goede muziek gemaakt wordt, moet u ons hier niet
komen vertellen. The Sugarcubes, Björk, Sigur Rós en vele
anderen, ze behoren alle tot het culturele erfgoed van dit
uitgestrekte doch dunbevolkte land, waarvan u de schoonheid
trouwens kan bewonderen in de pas verschenen dvd van Sigur Ròs
Heima. Maar
dit geheel terzijde.

Want wij willen het hier hebben over de in Reykjavik wonende
25-jarige Sindri Már Sigfússon, een doe-het-zelf artiest die pas
sinds zijn 19de gitaar speelt en een paar jaar teug zijn eerste ep
opnam in de hal van het ouderlijke huis. Dit mini-album van
Seabear, want zo doopte hij zijn band, kan u hier ondertussen
volledig gratis en uiteraard legaal downloaden. Ondertussen groeide
dit eenmansproject uit tot een heuse groep met zeven leden, die nu
ook in onze contreien haar debuutalbum ‘The Ghost that Caried Us
Away’ uitbrengt.

De intro brengt de luisteraar alvast in de juiste stemming: een
licht euforisch instrumentaal deuntje dat net voldoende prikkelt om
de muziekliefhebber in ons wakker te schudden. Ook wat volgt, vergt
van ons geen enkele inspanning: ‘Cat Piano’ klinkt namelijk als een
wat naïeve Eels-song, met dat
verschil dat de verstilde zang van Sindri – ‘Ik mag hier echt niet
te luid zingen of mijn kleine zusje wordt wakker’ – ons veeleer
doet denken aan de zangstijl van Opper-Fixke Sam
Valkenborgh. En we moeten hierin eerlijk zijn, we bedoelen dit niet
echt als een compliment.

Ook ‘Libraries’, de derde song op deze eerste volwaardige
Seabear-plaat, weet ons nog te bekoren door het tempo dat hier een
versnelling hoger schakelt zonder de maximumsnelheid uit het oog te
verliezen. Maar vooral het refrein maakt van deze song een echte
uitschieter: dat Sigfússon hiervoor een (kinder?) koortje moest
inhuren, vergeven we hem met graagte want dit resulteert in een
eenvoudig, radiovriendelijk en aanstekelijk liedje. Meer moet dat
soms niet zijn.
Ook het gebruik van de viool in ‘Hospital Beds’ is volledig terecht
en het koortje maakt het geheel nog wat gezelliger. Alsof er nieuwe
stukken hout op het kampvuur gegooid worden om het nog even wat
gezelliger te maken. Maar niet iedereen houdt van deze
kneuterigheid, want plots verslapt onze aandacht en zorgt het
staren in de dansende vlammen voor vermoeide oogleden en hebben we
het moeilijk om ons te concentreren op de kampvuurgezangen.

‘Hands Remember’ kan onze aandacht totaal niet meer vasthouden en
we durven zelfs het predicaat ‘wat saai’ in de mond nemen. Woorden
die we nog net kunnen inslikken, zodat de sfeer rond het kampvuur
niet verbrod wordt. Maar ook bij ‘I Sing I swim’, vragen we ons af
waar we dit al eerder gehoord hebben. Gelukkig veren we nog even
recht om bij ‘Arms’ om in alle stilte mee te fluiten met het nummer
dat bij ons herinneringen oproept aan ‘I Like Birds’ van de
onvolprezen en reeds vermelde Eels. Maar bij de volgende songs
kunnen we niets anders dan ‘idem’ neerpennen, waarmee het zeer
duidelijk wordt dat op het eind van het album de variatie ver te
zoeken is. Zelfs slotsong ‘Seashell’, waarin het tempo (eindelijk)
wat hoger mag, kan het tij niet keren, want ook met dit nummer
maken we een déjà-entendu mee.

Deze plaat baadt duidelijk in een zeer huiselijke sfeer. De songs
klinken gezellig en je hoort bijna het haardvuur knetteren. Ofwel
zal je gefascineerd raken door de eenvoud ervan, ofwel doezel je
langzaam in om af en toe een oogje open te trekken en te zien waar
die zachte klanken vandaan komen. Seabear is wat ons betreft een
beloftevolle band die we toch in de gaten zullen houden.

http://www.myspace.com/seabear

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

9 + zeven =