Broadcast 2000 + Seabear :: 12 mei 2010, Botanique

Soms kun je in één oogopslag zien of een band een goed concert zal geven. Enthousiasme, zin om te spelen: het is allemaal erg snel te herkennen. Op de gezichten van het IJslandse Seabear stond vanavond voornamelijk vermoeidheid te lezen, en dat levert zelden een indrukwekkende show op.

Voorprogramma Broadcast 2000 heeft daar duidelijk geen last van: met — jawel — het glockenspiel als voornaamste instrument, creëren de Londense jonkies lieve, charmante folkpop in de stijl van Jens Lekman en The Boy Least Likely To. Veel heeft de band daar niet voor nodig: het eerder genoemde glockenspiel wordt ingenieus verweven met rudimentair drumwerk (onder andere op een kartonnen doos) en het eenvoudige gitaarspel van frontman Joe Steer, wat geregeld onweerstaanbaar catchy nummers oplevert. “Pep Talk” wordt door Steer aangekondigd met de woorden “you can stomp along to this one”, en al snel blijkt dat het bijna onmogelijk is om dat níet te doen.

Wanneer Steer echter beslist om enkele nummers volledig solo te brengen, stuikt het optreden in sneltempo in elkaar. Met zijn hoge, breekbare stem is hij immers niet altijd de sterkste zanger, en in langzamere nummers als “That Sinking Feeling” heeft hij de neiging te vervallen in iets wat nog het meest op zeurderig jodelen lijkt. Geen goed idee dus, en gelukkig beseft Steer dat ook: “I’ll bring back the boys before you get all depressed”. Met een cover van Regina Spektors “Us” gaat het opnieuw in stijgende lijn, en het duo “Don’t Weigh Me Down” en “Everybody & Me” (met zijn huppelend ritme en oeh-oeh-oeh-refrein) mag de set op een erg vrolijke noot afsluiten. Voor wie niet terugdeinst voor wat cute overload: een groepje om in de gaten te houden.

Het enthousiasme en de vrolijkheid van Broadcast 2000 contrasteert behoorlijk met de sfeer die er hangt tijdens het optreden van Seabear. Wie deze zeven jongens en meisjes eerder aan het werk zag, weet nochtans dat ze uitblinken in aanstekelijke vrolijkheid. Vanavond is daar echter erg weinig van te merken. Is het vermoeidheid die Sindri Már Sigfússon — de spil van de groep — parten speelt, of heeft hij er gewoon compleet geen zin in? Zijn verveelde blik doet in elk geval uitschijnen dat hij overal zou willen zijn, als het maar niet op een podium (of, in het geval van de Botanique, een tapijt) is.

Dat wreekt zich uiteraard ook in de muziek: de band opent met uitgeblust klinkende versies van “Arms” en “Cat Piano”, twee nummers uit debuutalbum “The Ghost That Carried Us Away”. Vooral dat eerste wordt normaal gezien voorzien van de nodige belletjes en speelgoedinstrumenten, maar die worden vanavond allemaal achterwege gelaten, waardoor er weinig overblijft van de oorspronkelijke charme. Het helpt ook niet dat het geluid in het museum — nochtans een prachtige locatie — niet echt meezit: de viool klinkt schril en vlak, de zang van Sigfússon krijgt een rare bijklank en de elektrische gitaar steekt vaak veel te ver uit boven de rest van de instrumenten. “Fire Dies Down”, dat aanvankelijk nog goed begint dankzij de combinatie van viool en blazers, wordt na het invallen van drum en gitaar vakkundig om zeep geholpen: het geheel klinkt nog het meest als een onder water opgenomen demo van een bandje dat nog niet geleerd heeft samen te spelen.

Groot is onze verbazing dan ook als tijdens ingetogen nummers als “Leafmask” en het niet kapot te krijgen “Cold Summer” (die hartverscheurende trompet!) alles plots toch nog samenvalt. De band lijkt zijn oude elan hervonden te hebben, en even klinken de instrumenten wél zoals ze horen te klinken. Ook bisnummer “I Sing I Swim” toont het Seabear waarvoor we gekomen waren: een band die niets dan spelplezier en onschuldige vrolijkheid uitstraalt, en grossiert in ietwat naïeve, hartverwarmende folky popmuziek. Erg jammer dat we dat vanavond nauwelijks te zien kregen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

drie × 2 =