Blood Simple

Of het nu film noir is (‘The Man Who Wasn’t
There’
), een gangsterfilm ‘Miller’s Crossing’), screwball
comedy
(‘The Big
Lebowski’
), Duitse expressionistische cinema
(‘The Hudsucker
Proxy’
) of een flikkenfilm (‘Fargo’), elke prent die
de gebroeders Joel en Ethan Coen ooit hebben gemaakt, is op de één
of andere manier wel een hommage geweest aan een genre uit het
verleden. Wie de verzamelde filmografie van de heren bekijkt,
krijgt meteen een kort overzicht van de meest invloedrijke
cinemastijlen van de twintigste eeuw, maar dan wel voorzien van een
geut zwarte humor die soms erg voor de hand liggend is, maar vaak
ook zodanig droog geserveerd wordt dat maar weinig mensen opmerken
dat er iets te lachen valt (je zou ervan opkijken hoeveel mensen
naar bloedserieuze symboliek gaan zoeken in het vaak hilarische
‘The Man Who Wasn’t
There’
). ‘Blood Simple’ was hun debuut, en meteen één van hun
beste films. Een geweldig goed geconstrueerde, intelligente
film noir die een slim spelletje speelt met de conventies
van het genre: corrupte detectives, ontrouwe echtgenotes en lijken
die maar niet willen sterven.

Het verhaal speelt zich af in een zweterige, gloeiend hete
uithoek van Texas, waar bareigenaar en halve maffioso Julian Marty
(Dan Hedaya) ontdekt dat zijn echtgenote Abby (Frances McDormand)
een affaire heeft met één van zijn barmannen, Ray (John Getz).
Marty is daar, om het zacht uit te drukken, niet bijzonder tevreden
mee en vraagt aan groezelige privé-detective Loren Visser (een
schitterende M. Emmet Walsh) om zowel zijn vrouw als haar minnaar
uit de weg te ruimen. Visser denkt er even over na, maar besluit
dan dat het minder riskant is om simpelweg Marty te vermoorden en
het geld dat hij zou hebben gekregen, gewoon mee te nemen uit de
safe.

En dat is nog maar het begin van een uitgebreid netwerk aan
intriges die – en dat is verrassend in dit genre – allemaal, van de
eerste tot laatste, perfect logisch zijn, als je de motivaties van
de personages even in rekening neemt. Er zijn geen sympathieke
figuren in ‘Blood Simple’ – Marty is een venijnige
small-time crimineel, Visser een slijmbal die niet
terugdeinst voor moord en zelfs Ray en Abby lijken zich nauwelijks
tot elkaar aangetrokken te voelen, ware het niet dat ze allebei een
even grote hekel hebben aan Marty en er allebei niks op tegen
zouden hebben om met zijn geld te gaan lopen. Iedereen hier wil
enkel zijn eigenbelang dienen, en dat is wat de personages drijft:
op elk gegeven moment in de plot doen ze hetgeen waar ze het meeste
onmiddelijke baat bij hebben. En volgens die logica valt er in de
hele intrige van ‘Blood Simple’ geen valse noot terug te
vinden.

Thrillers, en dan zeker suspensethrillers zoals deze, zijn voor
het overgrote deel afhankelijk van de hoeveelheid informatie die
aan het publiek gegeven wordt, tegenover de informatie die de
personages hebben. Dat houdt in dat je drie standpunten kunt
innemen: of je vertelt je publiek minder dan hetgeen de personages
weten in het verhaal, zodat je bijvoorbeeld pas aan het einde een
grote onthulling kunt doen – kijk maar naar ‘The Usual Suspects’. Of
je laat je publiek een hele film lang gelijke pas lopen met de
personages – het overgrote deel van alle films is zo
gestructureerd. Of je kunt je publiek ook méér laten weten dan je
personages. En dat is wat hier het geval is – als kijker snappen we
continu wat alle personages doen en waarom, maar de personages zelf
hebben altijd maar een deel van de informatie. Soms vrij veel
(privé-detective Visser heeft al bij al nog het meeste zicht op wat
er gaande is), soms enorm weinig (Abby heeft echt geen flauw idee).
Het gevolg daarvan is dat de personages enorm domme dingen gaan
doen, die wél helemaal kloppen met de informatie die zij hebben. En
kijker zit je daarnaar te kijken en word je automatisch in de
positie gedwongen om te denken: doe dat toch niet, idioot!
Dàt is de definitie van suspense. Zoals Hitchcock het altijd zei:
een verrassingseffect is bijvoorbeeld een bom die ontploft onder
een man z’n stoel. Suspense is dat het publiek op voorhand wéét dat
die bom er ligt, maar het personage weet het niet. En dus moet dat
publiek zitten afwachten of hij zal ontploffen of niet. In ‘Blood
Simple’ zitten alle personages op drie, vier bommen tegelijk zonder
dat ze het weten. Aan het einde wordt er zelfs iemand door een deur
heen neergeschoten, waarna blijkt dat de dader een verkeerd
slachtoffer in gedachten had.

Yup, de techniek van een spannende thriller wordt hier
vrijwel feilloos beoefend, niet alleen in het construeren van
situaties, maar ook in de uitvoering ervan. De Coens vermijden
dialoog waar het niet nodig is, en behandelen al hun scènes, vooral
degene waar geweld in voorkomt, met een niets ontziend realisme.
Let op een sequens waarin Ray probeert om een lijk op te ruimen.
Dat hele segment van de film duurt pakweg 15 minuten (en op een
prent van anderhalf uur is dat heel wat), terwijl er nauwelijks een
woord in wordt gezegd. Wat gebeurt er in die scène? Wel, Ray begint
met z’n anorak het bloed op te vegen, wat een verschrikkelijke vlek
achterlaat in de houten vloer. Dat duurt een tijdje, daarna
verbrandt hij de anorak en andere vodden die hij heeft gebruikt en
begint hij met het lijk te zeulen. Nog later moet hij een graf
delven. En zo gaat dat door. De Coens rekken die sequens
schaamteloos uit, zonder dat ze saai wordt. Het geweld wordt immers
ontdaan van alle glans, wat de gruwel van de situatie dik in de
verf zet. Het feit dat het dode lichaam in kwestie uiteindelijk
toch niet zo bijster dood blijkt te zijn, helpt natuurlijk ook om
de spanning erin te houden. Wat een ondraaglijk lang, woordenloos
stukje film had kunnen zijn, wordt een suspensescène zonder
weerga.

De Coens volgen de conventies van de film noir tot op
een bepaald punt (de basisplot heeft iets weg van ‘The Postman
Always Rings Twice’ en ook de cynische personages komen zo uit de
jaren veertig weggelopen), maar ze bewaren toch een eigen
identiteit door in de fotografie een andere richting op te gaan. De
belichting is over het algemeen realistisch, zonder de zwaar
gestileerde lichtinvallen uit de oude zwart-witfilms, en cameraman
Barry Sonnenfeld (die later zelf zou gaan regisseren) weet
prachtige nuances in het donker van de Texaanse nacht te vinden.
Zijn gebruik van contrasten tussen licht en donker is fenomenaal –
let op de laatste scène, waarin er door een muur heen wordt
geschoten. In de éne kamer is het donker, in de andere brandt
licht, en dus krijgen we strakke lichtbundels die door de
kogelgaten naar binnen vallen.

En daar komen dan nog eens de acteurs bij. Frances McDormand
debuteerde mee, samen met de Coens – na deze film trouwde ze
overigens met Joel Coen, met wie ze nog steeds samen is. Haar
vertolking hier is meer dan degelijk, hoewel zowel zij als haar
partner in crime John Getz in de schaduw staan van Dan
Hedaya en M. Emmet Walsh, twee geweldige sleazebags. Walsh
heeft de sappigste rol als zwetende detective die wijsheden wauwelt
over communistisch Rusland, maar de zenuwachtige intensiteit van
Hedaya is zeker even sterk (je zit echt te wachten tot hij
explodeert). Die twee acteurs leveren op zichzelf bijna evenveel
suspense als het scenario of de cameravoering.

Diepzinnig is ‘Blood Simple’ niet – het is een ironische
genre-oefening, een hommage een populair Amerikaans genre. Het is
een uitgecalculeerde film, die erg goed weet wat z’n objectieven
zijn, en die vervolgens glansrijk bereikt.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

17 + twintig =