Unforgiven




Toen Clint Eastwood een tijdje geleden het tweeluik ‘Flags of Our Fathers’
en ‘Letters From Iwo
Jima’
maakte, prezen mensen hem omdat hij het aandurfde om de
aloude heroïek van de WO II-soldaat te doorprikken. Wat ze er
echter meestal niet bij vertelden, was dat het niet de eerste keer
was dat Eastwood iets gelijkaardigs deed. In 1992 maakte hij al
‘Unforgiven’, zijn zelfverklaarde “laatste statement” over de
western (en inderdaad, tot op heden is hij ook nooit meer naar het
genre teruggekeerd). De film werd algemeen omschreven als een
“anti-western”, een doodswals die alle clichébeelden van de
heldhaftige cowboy onderuit haalde: mensen worden in de buik
geschoten en sterven een langzame dood terwijl ze smeken om wat
water, het hoofdpersonage raakt nauwelijks nog op z’n paard en
wanneer aan het einde de onvermijdelijke shoot-out
plaatsvindt, voelen we eerder afgrijzen dan opwinding. In zekere
zin bijt Eastwood hier in de hand die hem zo lang gevoed heeft –
zijn hele carrière is op het genre gebaseerd, en op het iconische
beeld van de high plains drifter die een hele film lang
geen twee woorden zegt maar koelbloedig en in de naam van de
code of the West zijn vijanden neerlegt. In ‘Unforgiven’
neemt hij dat personage dat hij zelf zo lang gespeeld heeft en
onthult hij alle kleine kantjes ervan – de angst, de agressie, de
vuiligheid. Eastwood zette een symbool in z’n blootje en eindigde
met één van zijn beste films.

1880. William Munny (Eastwood) is een oude gunslinger,
die in zijn jonge jaren mannen, vrouwen en kinderen vermoordde,
maar dat alles achter zich liet nadat hij de juiste vrouw ontmoette
en trouwde. Nu is zijn vrouw dood en blijft Munny alleen achter met
zijn twee kinderen, een falende boerderij en continu knagende
schuldgevoelens over zijn vorige leven. Op een dag rijdt er een
jonge, niet al te snuggere outlaw voorbij, The Scofield
Kid (Jaimz Woolvett), met een voorstel voor Munny: in het dorpje
Big Whisky hebben twee cowboys het gezicht van een hoertje met een
mes bewerkt. De plaatselijke sheriff, Little Bill (Gene Hackman),
is niet van plan om er veel aan te doen, en dus bieden haar
vriendinnen nu duizend dollar aan degene die de schuldigen kan
afknallen. Uit geldnood besluit Munny om nog één keer de wapens
boven te halen. Samen met zijn oude vriend Ned (Morgan Freeman)
trekt hij naar Big Whisky om de hoertjes aan hun wraak te
helpen.

Dat verhaal klinkt vrij traditioneel, maar wordt aangewend om
overal waar het ook maar een klein beetje mogelijk is, de
mythologie van het Oude Westen te ontkrachten. De eenzame
revolverheld, de camaraderie tussen bendeleden, esthetisch
verantwoord geweld en al die andere dingen die samen de klassieke
western opmaken, worden hier één voor één onthuld als de illusies
die ze zijn. ‘Unforgiven’ gaat over cowboys die weten dat hun tijd
gepasseerd is. William Munny is min of meer Eastwoods personage uit
‘The Good, the Bad and the Ugly’, maar dan 20 jaar ouder, met een
zere rug en prostaatproblemen. Hij is fysiek afgetakeld – hij
kreunt omdat hij op de grond moet slapen (“ik mis mijn bed!”) en
nadat hij in de regen heeft moeten rijden, valt hij bijna van z’n
paard van de koorts. Het Oude Westen een romantisch landschap?
Vergeet het. Oncomfortabel ja, goed om een longontsteking op te
doen. En wat nog erger is: ook mentaal en emotioneel is Munny er
volledig aan het onderdoor gaan. De doden die hij achter zich heeft
gelaten, komen in zijn dromen bij hem spoken, hij kan zichzelf niet
vergeven wat hij in zijn jeugd allemaal heeft uitgehaald. Er hangt
een sterk gevoel van bad karma over ‘Unforgiven’: in een
sleutelscène ligt Eastwood rillend van de koorts naast een vuur,
fluisterend dat hij bang is om te sterven. Dit is het verhaal van
een man die elke minuut van elke dag betaalt voor zijn zonden uit
het verleden.

En ook de andere personages zijn erop ontworpen om de glorie van
het wilde westen te doorprikken: de jonge en onbezonnen Kid is
eigenlijk zo blind als een mol en heeft, als je het hem eerlijk
vraagt, nog nooit iemand gedood. Ned is een man die zichzelf ouder
voelt worden en eigenlijk gewoon thuis in z’n warme bed wilt
liggen. English Bob (Richard Harris) wordt opgevoerd als een Britse
gentleman-gunslinger, die steeds rondloopt met zijn
privé-biograaf erbij, iemand die zorgvuldig werkt aan zijn eigen
imago en mythologie. Maar hij wordt door sheriff Little Bill
ogenblikkelijk onthuld voor de laffe faker die hij is, in
elkaar geslagen en de stad uit gestuurd. Little Bill zelf is dan
weer zo corrupt als hij groot is, en is waarschijnlijk enkel
sheriff geworden omdat hij te oud werd om nog aan de andere kant
van de wet te staan. Niemand hier beantwoordt aan het traditionele
beeld van een westernpersonage, niemand hier is glamoureus.
Eastwood wilt hier eigenlijk een soort van stervensproces in beeld
brengen: Munny is moreel, mentaal, emotioneel en fysiek langzaam
maar zeker aan het creperen. Of hij aan het einde nu effectief
sterft of niet, is daarbij niet eens van zoveel belang. En met hem
sterven de archetypes die zo zorgvuldig bewaard bleven en
opgehemeld werden in westerns uit de jaren vijftig en zestig: De
Cowboy, Het Wilde Westen. De finale, waarin Munny eindelijk
toegeeft aan zijn oude impulsen en opnieuw geweld gebruikt
(“Iedereen die niet wilt sterven, kan nu best door de achterdeur
naar buiten gaan”), is dan ook meer tragisch dan wat anders. Het is
Munny die inziet dat hij niét kan veranderen, dat niets of niemand
hem kan vergeven, en die dan maar doet wat hij moet doen. Wat maakt
het tenslotte nog uit? Hij is toch al zo goed als dood.

Geen vrolijke boel dus, maar Eastwood weet er wel een
sfeervolle, meeslepende film mee te maken, die vrijwel helemaal
bestaat uit set-up. Het eigenlijke geweld is steeds kort
(maar krachtig), en wordt op geen enkele manier verbloemd of
geïdealiseerd. Wat belangrijker is, is het moment dat naar het
geweld toe leidt. Eastwood heeft duidelijk geleerd van Sergio Leone
en Don Siegel in de zin dat hij een fantastisch gevoel voor
spanningsopbouw aan de dag legt. Hij neemt zijn tijd, laat
personages langzaam hun intrede maken, laat het publiek wachten op
de actie, tot hij echt niet anders meer kan dan hen die te geven.
Het verschil met de films van Leone en Siegel is dat zij na die
lange set-ups het geweld als entertainment serveerden,
terwijl Eastwood hier er steeds alles aan doet om elk gevoel van
uitgelatenheid of rechtvaardiging weg te laten.

Zijn visuele stijl is beheerst maar indrukwekkend. In
buitenshots profiteert hij volop van het immense landschap, eens de
camera naar binnen verhuist, schildert hij met diepe schaduwen en
rijke tinten bruin (de stilistiek van de shots binnen doen zelfs
meer denken aan de film noir dan aan de western). In
tegenstelling tot wat je gewend bent van het genre, regent het
constant in ‘Unforgiven’. En dan zijn er nog de acteurs. Freeman
heeft een nogal ondankbare rol en is niet bepaald memorabel, maar
zowel Eastwood als Hackman zetten één van de beste rollen uit hun
carrière neer. Eastwood durft onvoorstelbaar kwetsbaar te zijn –
door de western onderuit te halen, haalt hij ook zichzelf onderuit.
Zijn pijn – zowel fysiek als mentaal – is bijna voelbaar. Hackman
speelt dan weer met zichtbaar genoegen met de ambiguïteit van zijn
personage; soms kun je zijn redeneringen best nog wel volgen, dan
ontpopt hij zich weer tot een soort sociopaat. Da’s een subtiele en
vage lijn om te blijven bewandelen, maar zijn personage blijft wel
steeds consequent en geloofwaardig.

‘Unforgiven’ kwam als tweede in een kortstondige
revival van de western aan het begin van de jaren
negentig, na ‘Dances With Wolves’, maar is overduidelijk de meest
relevante, intelligente en rijpe film van de twee. Het is een
genadeloos exposé, gemaakt door iemand die weet waar hij het over
heeft. En het is schitterende cinema. Dat vooral.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijftien − twee =