The Tragedy of Macbeth

Voordat The Tragedy of Macbeth in de zalen kwam (alweer met de nodige vertraging) was er nogal wat te doen rond het feit dat Joel Coen – één helft van de Coen-broers die instonden voor onder andere Fargo, The Big Lebowski en Miller’s Crossing – deze keer op zijn eentje achter de camera stond. De waarheid is dat ook bij vorige samenwerkingen er een taakverdeling was tussen beide broers, maar de Coen tandem was zo’n ‘merk’ geworden dat elke nieuwe titel nu eenmaal dat label droeg. Feit is wel dat Joel Coen deze productie min of meer op zijn eentje opzette en zich bijschrijft in een rijke traditie van visionaire regisseurs die dit specifieke Shakespeare werk onder handen nemen.

Met Macbeth van Orson Welles uit 1948, Kumonoso-Jô/Throne of Blood van Akira Kurosawa uit 1957, Macbeth van Roman Polanski uit 1971 en Macbeth van Belá Tarr uit 1983, als voorgangers, hadden Joel Coen en zijn team de lat voor zichzelf wel bijzonder hoog gelegd. Om een volledig eigen interpretatie te brengen, startten Coen, fotografieleider Bruno Delbonnel en de setdesigners naar eigen zeggen met het idee van een ‘haiku’: reduceer alles tot absolute eenvoud en pas die strategie toe op elke element van de productie. Op die manier ontstond een film in vierkant 1:37 formaat (ideaal voor meer nadruk op gecentraliseerde close-ups van gezichten), opgenomen in kleur maar nadien – mits graderen van blauw- en groen waarden- teruggebracht tot grijs, zwart & wit en inzake decor, licht en camera, opgebouwd uit summiere eenvoud. In het vakblad American Cinematographer beschreef Delbonnel hoe de filmische ruimte enkel mocht bestaan uit abstracte en minimale architecturale elementen, geprojecteerde schaduwpartijen en diffuus licht, dat via een doek de set binnen filterde.

Die gehele insteek lijdt tot een film die even virtuoos als steriel is. Dit is een Macbeth die kan teren op een aantal absoluut verbluffende momenten – elk bezoek van de heksen (‘body performer’ Kathryn Hunter) of de donkere finale – maar evengoed blijft steken in scènes die een zekere bezieling missen. De gehele cast speelt op niveau (Denzel Washington, Frances McDomand …) en het spel met kleur (of het ontbreken ervan), licht en mist, houdt onze aandacht ontegensprekelijk vast. Soms lijken in dat spel echter tekst en dramaturgie geen houvast meer te vinden. Ook Orson Welles maakte gebruik van extreme stilering voor zijn versie uit de jaren veertig, maar meer dan hier stond zijn beeldtaal ten dienste van Shakespeares werk, eerder dan vice versa.

Het valt toe te juichen dat Coen een Macbeth gecreëerd heeft die probeert om op radicale manier een nieuwe incarnatie te brengen, alleen is het jammer dat die nieuwe visie – paradoxaal genoeg – een echt eigen karakter mist. Dat ontbrekende element ligt in de manier waarop vorm en inhoud geen nieuwe symbiose aangaan en dus ook niet zoals in de vorige versies een film opleveren waarin een cineast/auteur een eigen persoonlijke signatuur plaatst op het oorspronkelijke werk. Het resultaat is daarmee flitsend en meeslepend, maar ook iets te glad, en mist vooral de diepgang die ontstaat wanneer woord, beeld en verschillende kunstmedia, iets meer doen ontstaan dan enkel een degelijke illustratie van eerder bronwerk.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

achttien + achttien =