Trois Couleurs :: Blanc




88 min.

Een volwassen man verstopt zichzelf in een koffer om op die
manier als verstekeling mee te kunnen op een vlucht van Frankrijk
naar Polen. Zijn begeleider kijkt toe hoe de man een paar
luchtgaten in de koffer prikt en erin kruipt. ‘Ben je zeker dat je
dat vier uur gaat kunnen volhouden?,’ vraagt hij twijfelachtig.
Maar de man wil van geen rede weten. In de volgende scène zien we
hoe de begeleider zenuwachtig aan de bagageband van de luchthaven
in Polen staat te draaien. Uiteindelijk moet hij naar de dienst
verloren voorwerpen gaan. De koffer is verloren, met verstekeling
en al. Het is op dat moment dat ‘Trois Couleurs: Blanc’ zich
definitief onthult voor de zwarte komedie die hij is. Krzysztof
Kieslowski heeft in de pakweg twintig minuten vóór die sequens al
naar ons zitten knipogen, maar de toon van de film was zo gortdroog
dat je toch altijd bleef twijfelen – is dit nu grappig bedoeld of
niet? Ja dus. De regisseur maakt van het middelste luik van zijn
‘Bleu-Blanc-Rouge’-trilogie een heel eigen variant op een klassiek
komisch gegeven: dat van de bedrogen echtgenoot, de hoorndrager.
Zoals te voorzien was, maakt Kieslowski er geen dijenkletser van,
maar eerder een lichtjes subversief verhaal waarin de humor schuilt
in de miserie van de hoofdpersonages.

Zbigniew Zamachowski speelt Karol Karol, een Poolse immigrant
wiens echtgenote, de ijskoude Dominique (Julie Delpy) van hem wilt
scheiden omdat hij niet kan presteren in bed. Karol heeft geen
verweer: hij ziet zijn vrouw doodgraag, maar, vertelt hij de
vrederechter, “sinds ons huwelijk wil het allemaal niet meer zo
lukken”. Nadat Dominique ook nog eens zijn kapperszaak in brand
steekt en zijn rekeningen laat blokkeren (de lieverd), besluit
Karol om op zijn eigen onorthodoxe manier terug naar Polen te gaan.
En daar gaat het hem verrassend genoeg veel beter voor de wind: met
meer geluk dan verstand stuit hij op een goede zakendeal en op
enkele maanden weet hij een mooie som te vergaren. Ondanks alles
heeft hij nog steeds maar één motivatie: hij wil Dominique terug.
En om dat te doen bedenkt hij een wel erg bizar plan.

Er was heel wat lef voor nodig om ‘Blanc’ te maken zoals hij is.
In de doorsnee filmtrilogie probeert de regisseur meestal een nauwe
eenheid te creëren van thematiek, toon en genre, maar hier maakt
Kieslowski plots een bocht van 180 graden. De sombere ernst en
rijke symboliek van ‘Bleu’ moeten plaats maken voor een stevig in
de wang gedrukte tong en een diabolisch gevoel voor humor. ‘Blanc’
is een komedie over vernedering: vanaf de eerste beelden wordt
duidelijk gemaakt dat Karol een slachtoffer is in Frankrijk. Hij
zoekt onzeker z’n weg naar het Justitiepaleis, spreekt gebroken
Frans en op de trappen van het rechtgebouw, voor hij naar binnen
gaat, wordt hij bescheten door een duif (niet het meest subtiele
stukje symboliek dat Kieslowski ooit in een film stak, maar tot
daar aan toe). Eens hij binnen is, verklaart zijn vrouw voor de
hele wereld dat hij hem niet recht krijgt, terwijl Karol zelf
alleen maar verlegen kan knikken en zeggen dat hij er ook niets aan
kan doen. Een tijdje later belt hij Dominique op omdat hij heeft
gezien dat er een man in haar kamer is. ‘Je belt net op het juiste
moment,’ zegt ze, en ze legt de hoorn naast zich terwijl ze met die
andere man vrijt. Tussen haar gehijg en gesteun door zegt Karol nog
dat hij haar graag ziet.

De meeste humor is gebaseerd op het lachen met de miserie van
een ander, maar waar in de meeste komedies die miserie tot in het
belachelijke wordt uitvergroot, blijft Kieslowski hier doorgaans op
mensenmaat hangen. Michael Palin die in ‘A Fish Called Wanda’ een
appel in z’n mond krijgt en twee frietjes in z’n neusgaten, dat is
wreed maar grappig, omdat het er óver is. We kunnen afstand nemen
van wat er gebeurt en dus comfortabel lachen. Kieslowski verkleint
echter die afstand. Een man die seksueel vernederd wordt door zijn
eigen vrouw is al bij al een zeer reële situatie, en niet om mee te
lachen. Behalve dan dat het eigenlijk wél om mee te lachen is.

Nu hij toch bezig is, geeft Kieslowski meteen een blik op de
veranderingen in zijn thuisland: het grootste deel van de film
speelt zich af in Polen anno 1994, slechts vijf jaar na het vallen
van de muur en nog in volle overgangsperiode tussen een armzalig
communistisch verleden en een onzekere kapitalistische toekomst. We
zien enkele van de personages naar een enorm veld kijken met
slechts enkele boerderijtjes erop: ‘Binnenkort komt hier een Ikea’.
Zo gaat dat dan in de vrije markt. Kieslowski veroordeelt die
evoluties niet – zijn eigen hoofdpersonage doet er tenslotte ook
maar zijn voordeel mee – maar hij verweeft het mee in wat je “de
textuur” van zijn film kunt noemen. Die veranderingen zijn aanwezig
als achtergrond, en ze staan Karol toe om geen slachtoffer meer te
zijn (hij kan namelijk geld verdienen en zo in een sterkere positie
komen).

Als onderdeel van de trilogie hoort ‘Blanc’ thuis in het
égalité-gedeelte van het triumviraat liberté,
égalité
en fraternité. Zoals steeds moet je die
termen erg breed opvatten, maar hier kun je dat zien als de
gelijkheid tussen mensen in een relatie. Je hebt altijd iemand die
de sterkere persoonlijkheid is tussen twee mensen – iemand die zich
meer in de machtspositie bevindt dan de ander. Dat is dan degene
die beslist wanneer er gewinkeld wordt. Wanneer er gekuist moet
worden. Waar de vakantie naartoe zal gaan. En nog zo’n duizend
kleine beslissingen waarvan je altijd zegt dat je die samen neemt,
maar die eigenlijk altijd door één van de twee wordt genomen,
waarna de ander zegt: “Ja, da’s goed”. Doorgaans maakt dat niet uit
– je misbruikt die machtspositie normaal gezien niet, zodat je
nauwelijks merkt dat ze bestaat. Tot het misloopt in de relatie, en
dan kan het natuurlijk erg lelijk worden. Zoals hier – de
égalité wordt door Dominique absoluut de vernieling in
geholpen en de film wordt dan het verhaal van de pogingen van Karol
om dat terug te winnen. Om zijn waardigheid opnieuw te vinden.

Kieslowski is iets minder symbool-happy in ‘Blanc’ dan
in ‘Bleu’. De kleur uit de titel komt nog steeds op verschillende
manieren voor (sneeuw, een huwelijksjurk, duiven, …), maar in de
belichting wordt er iets minder op gehamerd. Dat neemt niet weg dat
de weloverwogen, poëtische visuele stijl uit ‘Bleu’ hier minder
sterk aanwezig is. De cameravoering is klassieker en, in
tegenstelling tot het verhaal, “normaler”.

‘Blanc’ heeft een sterk scenario, waar heel interessante ideeën
aan vasthangen, en een goeie cast. Zamachowski speelt zijn
verslagen hondenblik perfect uit om een volslagen schlemiel tot
leven te wekken en Julie Delpy, normaal gezien voorzien van een
schattig aura waar zelfs een fijn afgesteld cynisme-kanon niet
doorheen raakt, komt hier verrassend uit de hoek in een venijnige
bijrol. Het is wel jammer dat haar personage niet meer tijd op het
scherm kreeg – een extra dimensie aan Dominique had de film
ongetwijfeld nog een bijkomende laag kunnen geven.

Dit tweede deel in de ‘Couleurs’-trilogie blijft minder lang in
de kleren hangen dan z’n voorganger, maar het blijft superieure
cinema. Bizar, maar erg de moeite.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

acht − vijf =