Paris, je t’aime




Ik ben nog nooit iemand tegengekomen die teleurgesteld is
teruggekeerd van een bezoekje aan Parijs. Van andere steden hoor je
dat wel al eens – Londen is te druk, Barcelona was toch niet
helemaal wat je ervan had verwacht enzovoort. Maar Parijs… Iedereen
trekt er naartoe met bepaalde clichébeelden en iedereen krijgt
ongeveer wat hij verwacht. En nog veel meer. Iedereen is gek op die
stad, en terecht: als je er maar lang genoeg rondloopt, zou je
haast gaan geloven dat cultuur, geschiedenis en schoonheid nog iets
waard zijn. Ze lijken er in ieder geval betekenis te hebben. Eten
smaakt er beter – om van de wijn nog maar te zwijgen – de lichtjes
branden er feller en de gebouwen zijn er mooier dan eender waar.
Behalve het Centre Pompidou, natuurlijk, dat is gewoon
foeilelijk.

Om die liefde voor Parijs vorm te geven, bedacht Tristan Carné het
concept van ‘Paris, je t’aime’: twintig regisseurs mochten een
kortfilmpje van vijf minuten maken, dat zich telkens in een andere
wijk van Parijs afspeelde en dat op de één of andere manier over de
liefde ging. We krijgen in korte segmentjes verhalen over de liefde
tussen man en vrouw, tussen man en man en tussen ouders en hun
kinderen. Het resultaat is een episodenfilm die – u had het nooit
zien aankomen – nogal onevenwichtig is geworden. Sommige stukjes
zijn weinig minder dan briljant, anderen blijven dan weer
onopvallend aan de oppervlakte krabben of zijn gewoon te gek om los
te lopen.

Net zoals iedereen zijn eigen visie heeft op de stad Parijs en op
de liefde, krijgen we ook hier uiteenlopende filmstijlen, die
variëren van überrealistisch tot extreem gestileerd. Enerzijds
krijgen we een cinema vérité verhaaltje over een allochtone
kinderjuf in ‘Loin du 16eme’ van Walter Salles – nauwelijks
dialogen, een camera die afstandelijk registreert, you name
it
. Maar anderzijds krijgen we vlak daarna het filmpje ‘Porte
de Choisy’ van Christopher Doyle, waarin we het surrealistische
verhaal krijgen van een marchant in haarverzorgingsproducten. Dat
stukje eindigt met de personages die over een eigenaardig soort van
catwalk lopen en vreemde gebaren maken, alsof ze een hardnekkige
vlieg willen wegwuiven. Eigenzinnig is het zeker, maar wat er
precies de bedoeling van was mag Joost weten.

En dat soort stijlwisselingen moet je nog wel vaker slikken. Joel
en Ethan Coen maken een heerlijk, absurd-komisch stukje van
‘Tuileries’, met Steve Buscemi als een paranoïde Amerikaanse
toerist. Hun filmpje, gedraaid met een gele filter en volledig
geacteerd in de overdreven slapstick-stijl van de jaren twintig
(check Buscemi’s gekke smoelen!), heeft maar weinig te doen
met de werkelijkheid, maar het is bijzonder geestig. En het lijkt
op geen enkel ander filmpje in de verzameling.

Die uiteenlopende stijlen zorgen ervoor dat je als kijker soms
bijzonder vlug van versnelling moet veranderen – er is niet één
narratieve lijn en zelf niet één enkele toon waar je je aan kunt
vasthouden. ‘Paris, je t’aime’ is een film die continu aan het
veranderen is in iets anders, en daar moet je maar op zijn
ingesteld.

Nu is dat allemaal nog goed en wel. Wat erger is, is het feit dat
lang niet alle filmpjes van hetzelfde niveau zijn. Sommige
regisseurs zijn erg goed op dreef: de Coens leveren een ijzersterk
stukje cinema af, ‘Place des Fetes’, over een verpleegster en de
doodbloedende man die ze verzorgt, slaagt erin om op vijf minuten
tóch ongelooflijk diep te raken, Alfonso Cuaron speelt op een
bijzonder slimme manier met de verwachtingen van het publiek in
‘Parc Monceau’ en dan is er natuurlijk nog Walter Salles met zijn
doodsimpel, maar o zo mooi stukje over moederliefde. ‘Loin du
16eme’ is haast extreem minimalistisch: we zien maar één actrice,
er wordt geen enkele emotie openlijk uitgesproken (er wordt zelfs
nauwelijks gesproken tout court), de kijker mag zijn eigen
conclusies trekken. Maar toch weet hij een wereld van emoties op te
roepen.

Maar daar tegenover staan ook intredes die betekenisloos lijken: in
‘Quartier de la Madeleine’ wordt Elijah Wood verliefd op een
vampier, wat vooral leidt tot een filmpje met een bijzonder flauwe
clou en met een visuele stijl die enkel een waterachtig afkooksel
lijkt van wat Robert Rodriguez deed in ‘Sin City’. ‘Place des
Victoires’ is dan weer een stroperig verhaaltje over een moeder
(Juliette Binoche) die niet over de dood van haar kind raakt. Wat
emotioneel had kunnen zijn, verzandt echter in voor de hand
liggende sentimentaliteit door de vingerdikke symboliek (Willem
Dafoe als cowboy-veerman tussen deze wereld en de volgende, ja
hàllo!) en door het bedompte religieuze ondertoontje ervan.
Christopher Doyle’s ‘Porte de Choisy’ lijkt dan weer eerder het
resultaat van een zatte nacht dan van weldoordacht filmwerk en
Sylvain Chomet is verantwoordelijk voor het allerslechtste segment
met ‘Tour Eiffel’ over de liefde tussen – hou u vast – twee
mimespelers! Weet die Chomet dan niet dat mimespelers er
enkel zijn om op hun smoel te kloppen? Het filmpje is irritanter
dan eender wat dat ik me kan herinneren de laatste jaren gezien te
hebben zonder dat Lieven Debrauwer achter de camera stond.

Op die manier wordt ‘Paris, je t’aime’ een film met hoogtes en
(meer) laagtes, die in z’n geheel toch net iets te licht uitvalt om
de prijs van een cinematicket te verantwoorden. Collectieve films
als deze zijn gedoemd om een lappendeken van stijlen en invloeden
te worden, daar valt weinig tegen te beginnen, maar de onderdelen
van dit deken zijn op zichzelf gezien lang niet allemaal even mooi,
en ze vloeken soms met elkaar als de pest.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijf × een =