Espers :: II

Langer haar, zelfgebreide kledij, bandleden die zich laten
fotograferen daar waar de verstedelijking nog geen beslag heeft
gelegd op afgelegen stukjes natuur, bloempatronen op cd-hoesjes, …
Yep, we hebben het over neo-hippies. Dat folk al een tijdje een
heropleving kent, is oud nieuws. In het kielzog van grotere namen
als Animal Collective en
Devendra Banhart beweegt Espers
zich voort. Kloppend hart van dit in Philadelphia te situeren
sextet en ook een periode de enige drie leden van de band zijn Greg
Weeks, Meg Baird, and Brooke Sietinsons. Na hun in folkmiddens
gelauwerde debuut ‘Espers’ (2004) en EP ‘The Weed Tree’ (2005) is
‘II’ een nieuwe gooi naar een breder publiek. Iets wat deze
psychedelische folk dubbel en dik verdient.

Het concept-Espers bevat de volgende ingrediënten: meerstemmige
gezangen, onverstaanbare lyrics, een ingetogen sfeer, zich (soms
iets te) langzaam ontvouwende songs en een amalgaam van geluiden
geproduceerd door klassieke en minder klassieke instrumenten als de
dulcimer en de Tibetaanse klankschalen. Wat een recensent allemaal
moet herkennen.

Zoals nogal eens voorvalt op albums, zijn de meest tot de
verbeelding sprekende nummers voorin te vinden. Neem nu ‘Dead
Queen’, het openingsnummer. Het zet aan als een sprookje in de
stijl van het Nederlands-IJslandse Lady & Bird – de titel
versterkt deze these – en drijft de mysterieteller langzaam op.
Wanneer de twee voornoemde dames hun lieflijke vocale klanken
inzetten wordt de ongewone sfeer nog versterkt. Vele bands keren
terug naar de jaren tachtig, zeventig, zestig,… U noemt ze maar op.
Espers gaat met dit nummer wel erg retro en brengt ons naar de 17e
en 18e eeuw, toen deze vorm van folk nog verkocht als de singles
van Belle Perez vandaag. Stelt u zich voor: een verlicht despoot
kijkt geamuseerd naar de bijzonder gracieuze danspassen van enkele
hofdames voor zich, terwijl hij nipt aan zijn veertiende glas
champagne. Lodewijk XVI had dit nummer waarschijnlijk ‘verfrissend
modern’ gevonden. Ook ons kan deze historische trip bekoren, want
dit ongewone nummer neemt zijn tijd, vertelt een verhaal. Wanneer
de twee dames al een tijdje zijn uitgezongen, gaat de dans rustig
verder. Een lange dans met beperkte variatie, die door zijn
eigenaardige karakter toch boeiend blijft.

Al even intrigerend begint ‘Window’s Weed’. Mysterie blijft
centraal. Hier echter geen gestileerde dames in korset, maar de
voorzichtige verkenning van een donker woud of een gotisch kasteel.
Vreemde geluiden uit de verte doen het angstzweet toenemen, maar de
tikker gaat pas echt hard te keer wanneer het nummer in een
stroomversnelling een kudde woudgeesten op de luisteraar/wandelaar
loslaat. Nooit uitgelaten, steeds sereen zingen Baird en Sietinsons
alsof ze vertellen over een onaangename gebeurtenis van lang
geleden.

In ‘Children of Stone’ zingt Greg Weeks voor het eerst mee,
waardoor de vocale samenwerking wel erg aan Low doet denken. Hij
krijgt zelfs de hoofdrol in ‘Moon Occults the Sun’. De
minimalistische lyrics verhalen over een mythologisch en/of
astrologisch eindpunt: “All will be white / in time / when the
darkness comes / all will be ours / forever
“. ‘Mansfield And
Cyclops’ is dan weer erg zoet, totaal onverstaanbaar, maar
niettemin een verdomd mooie dosis psychedelica.

Neen, vrolijkheid is niet van deze wereld. Wat overheerst op dit
album is contemplatie en berusting. Aanvaarding ook. ‘II’ is een
verzameling van zeven vreemde uitstapjes. Het zijn stuk voor stuk
bijzonder aardige miniatuurtjes die je naar een plaats brengen die
je enkel kent van antieke verhalen, voor Hollywood de vertelcultuur
overspoelde met happy ends. Neem uw tijd voor deze vreemde ervaring
en droom mee in de wondere wereld van Espers.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

negentien − 12 =