
Lower Forty-Eight zag in 2000 het daglicht als melting pot
van leden van Spackle, LandShark, Model and The Rail Gun Ensemble.
Naar eigen zeggen wilden ze in hun muziek rauwe energie en
complexiteit met elkaar verzoenen. Energie heeft ook dit vierde
album opnieuw te bieden via een amalgaam van metal, hardcore en
indie met hier en daar een zweem van punk en grunge. De opbouw is
iets doordachter en meer berekend geworden, maar toch is
no-nonsense rock nog steeds het doel voor ogen. Referenties als
Fugazi, Isis en Deftones verklappen de essentie: adempauzes zijn
schaars, naar een fikse trap in de ballen wordt gestreefd.
De aftrap van de plaat wordt vakkundig gegeven: het aanzwellende
gitaarinferno van ‘Mass Denial, Massive Guilt’ klinkt weinig
innovatief, maar desalniettemin zoet in de oren. Ook in ‘Blaue
Augen’ wordt aandacht besteed aan opbouw. Spijtig genoeg volgt al
snel een dip. De middenmoot van de plaat is gevuld (en dit in de
meer pejoratieve connotatie van het woord) met kleurloze metal.
Soms wordt het gebrek aan originaliteit daarbij al te schrijnend:
‘The Distance of Light’ klinkt gruwelijk sterk als Chino light –
deze twee woorden lijken na de laatste Werchterpassage even een
paradox te vormen – en ook bij andere nummers is het moeilijk om
niet spontaan aan Deftones en consoorten te denken. Lower
Forty-Eight vermeldt nochtans zelf op hun website rock op een
inventieve manier te willen aanpakken. Voorlopig blijft dit echter
enkel een nobel doel.
Nu is het in het verleden al bewezen dat copy-paste materiaal niet
per definitie ongenietbaar hoeft te zijn en het moet gezegd, op
instrumentaal vlak klinkt ‘Apertures’ helemaal niet slecht.
Spontaneïteit ontbreekt niet en het is duidelijk merkbaar dat de
jongens de rockmuziek diep koesteren en genieten van hun stiel.
Deze factoren doen vermoeden dat de groep op een podium een grotere
waarde krijgt dan op plaat en de sterke live-reputatie versterkt
deze these. Toch laat Andrew Lund op het album hier en daar een
vocale steek vallen: zijn zangstem klinkt niet altijd even vast en
het schreeuwwerk op de plaat klinkt hard, maar mist net de nodige
mokerslagen om indruk te maken. De laatste nummers weten de plaat
nipt uit de vergeetput te redden. ‘Slay Tracks’ kan enkel al door
de bij momenten zachtere kadans het monotone doorbreken, de
stonerinvloeden laten ‘I Am a Rogue State’ in de massa oplichten en
uitsmijter ‘The Ring’ brengt even het gevoel van ‘Blaue Augen’
terug, dankzij de lange instumentale aanloop en het verzorgde
arrangement. Op deze manier kan de plaat toch nog met een climax
eindigen, maar spijtig genoeg voldoet deze opflakkering van euforie
niet als compensatie voor de eerdere teleurstelling.
Met slechts vijf degelijke nummers en een totaal gebrek aan
verrassingen slaagt ‘Apertures’ er niet in te imponeren. De soms
wat chaotische songs en rauwe, ongepolijste klank kunnen op enige
sympathie rekenen, maar bij een vierde album zou een groep dat
jeugdige stadium al voorbij moeten zijn. Wanneer de groep een
experimenteler pad inslaat, wordt het potentieel hoorbaar, maar een
groot gedeelte van de tracks zijn al te zeer in een keurslijf
gedwongen, wat voor een zeer vluchtige ervaring zorgt. Alweer
hebben we te maken met een plaat die lijdt aan een frequent
voorkomende kwaal: het album dat met het betere schrapwerk best te
pruimen was geweest, maar in zijn volledige vorm te veel vulsel
bevat.



