Man to Man




Deze nieuwe van Régis Wargnier, de man die we nog altijd niet
vergeven hebben dat hij twaalf jaar geleden met ‘Indochine’ de
oscar pikte van Stijn Coninx en ‘Daens’, was in februari de
openingsfilm van het Festival van Berlijn. Had ik daar even de
gezichten van het aanwezige publiek willen zien toen de lichten
weer aangingen – die mensen moeten gevreesd hebben dat er voor het
hele verdere festival geen hond meer zou komen opdagen. Voor zover
ze nog wakker waren om iéts te vrezen, natuurlijk. ‘Man to Man’ is
een onuitstaanbaar, dodelijk vervelend melodrama dat zo tjokvol
clichés zit dat het me op den duur al begon te verbazen dat Kristin
Scott Thomas niet plots een kanker ontwikkelde om zieltogend de
pijp uit te gaan.

We schrijven 1870. Jamie Dodd (Joseph Fiennes) is een wetenschapper
die in Afrika de missing link meent te hebben ontdekt tussen de
mens en de apen, in de vorm van een Pygmeeënstam. Samen met zijn
geldschieter Elena Van Den Ende (Scott Thomas), duikt hij de jungle
in om twee Pygmeeën te ontvoeren en over te brengen naar
Groot-Brittannië voor verder onderzoek. In Schotland wordt hij
geholpen door twee collega’s, Alexander Achinleck (Iain Glen) en
Fraser (Hugh Bonneville), die hem assisteren bij het opmeten van
hun schedel, het testen van hun intelligentie enzovoort.
Aanvankelijk beschouwen de wetenschappers de Pygmeeën niet eens als
mensen – ze spreken over “onderzoeksonderwerpen”, “specime,” die
niet in staat zijn tot rationeel denken of het verwerken van
normale menselijke gevoelens. Maar naarmate de tijd vordert (en
màn, die tijd vordert langzaam!), begint Dodd toch op andere
gedachten te komen. Tot grote ontzetting van zijn collega’s
probeert hij een vriendschap op te bouwen met zijn
onderzoeksstalen.

Het punt dat Régis Wargnier hier probeert duidelijk te maken,
draait rond de noodzaak aan menselijkheid bij wetenschappelijk
onderzoek. Ik veronderstel dat dat nog altijd een relevant
onderwerp is – het debat over de ethische grenzen van de (vooral
medische) wetenschap laait regelmatig nog eens op in
discussieprogramma’s overal ten lande. Alles is zo zoetjesaan wel
mogelijk, maar de vraag blijft hoe ver we mogen gaan in die
zoektocht naar grotere kennis. Waar liggen de grenzen van het
toelaatbare? Wargnier verplaatst dat vraagteken naar 1870, opdat
hij er een soort van moralistisch fabeltje aan zou kunnen ophangen
– mogen we, in naam van de vooruitgang, mensen gaan beschouwen als
louter onderzoeksonderwerpen? Mogen we hun waardigheid en de onze
achteruit schuiven vanuit de mentaliteit dat op lange termijn, de
mensheid ermee gediend zal zijn? Als dat een meerkeuzevraag is,
denk ik dat ik het antwoord al wel weet.

Dat is ook al meteen een groot probleem met ‘Man to Man’: de film
zit tjokvol goeie bedoelingen (ik zat op de aftiteling te kijken of
Oxfam toevallig niet mee gesponsord had), maar het moralistische
betoog dat Wargnier hier afsteekt, is uiteindelijk maar weinig
opmerkelijk. ‘We hebben meer humaniteit nodig in de wetenschap,’
orakelt de regisseur hier. Tja, je kunt hem moeilijk ongelijk
geven, maar vertelt hij u daarmee iets dat u niet al lang wist? Een
film als deze is maar interessant voor zover hij a) een nieuwe
problematiek aansnijdt (daar kan ‘Man to Man’ sowieso al geen claim
op leggen), ofwel b) een frisse blik op een gekend probleem kan
bieden. En ook daar slaagt men hier niet in.

Het feit dat die frisse blik uitblijft, heeft vooral te maken met
de sfeer waarin de hele film zich afspeelt: de helft van de tijd
heb je de indruk dat je naar een oude Tarzanfilm uit de jaren
dertig aan het kijken bent, de andere helft zou je dat willen. De
film opent met Fiennes en Scott-Thomas die de Pygmeeën gaan jatten
in het oerwoud – bezwete gezichten bekijken elkaar over de loop van
getrokken geweren, negers in lendendoeken lopen op en af (ze komen
hier eigenlijk niet veel doen, maar ze zorgen voor een onmiskenbare
couleur locale), we krijgen shots van snel stromende riviertjes én
als toemaatje worden we zelfs getrakteerd op een ouderwets
Afrikaans stamhoofd. Zo eentje met kraaltjes rond z’n nek en veren
op z’n kop. Kortom: elk cliché waar Wargnier z’n klamme polletjes
maar op kon leggen, wordt gretig gebruikt.

Wanneer de actie zich verplaatst naar Schotland, wordt het er al
niet veel beter op: de dorpsbewoners hébben het niet zo op die twee
minuscule zwartjes, en besluiten dan maar sito presto een woedende
menigte te vormen die met geheven fakkels en rieken op pad gaan om
de Pygmeeën eigenhandig te lynchen. Naar het einde toe laveert de
film zelfs vervaarlijk in de richting van doodordinaire,
zoetsappige melodramatiek – Glen en Bonneville, de twee
collega-wetenschappers van Joseph Fiennes, ontpoppen zich
plotseling tot monsterachtige karikaturen die niet in het minst
gehinderd worden door enige vorm van moreel besef en zelfs in staat
zijn om over lijken te gaan – tot Fiennes zelf op het strijdtoneel
verschijnt, natuurlijk, en mooie woorden afsteekt zoals:
‘They’re human beings!’ Puh-rachtig, vindt u ook niet? In
feite is ‘Man to Man’ een film die vastzit in de mentaliteit van
die ouderwetse jongensboeken die u nog wel kent uit uw lagere
schooltijd, over avonturen “in het donckeren oerwoud van Africa”.
‘Man to Man’ is even naïef, even ongeloofwaardig en uiteindelijk
even neerbuigend. Wargnier ramt z’n boodschap er met de voorhamer
in en verliest gaandeweg elke dramatische plausibliteit.

De muziek van Patrick Doyle past bij de film in de zin dat de film
over de top gaat en de muziek ook. Een gigantisch orkest schéttert
uit de luidsprekers telkens wanneer de personages fronsen of
zuchten, om toch maar elke emotie zoveel mogelijk aan te dikken.
Niet dat dat àltijd een slecht idee is, aangezien Joseph Fiennes de
hoofdrol speelt, en die man is nu eenmaal fysiek niet in staat óm
een emotie uit te drukken zonder dat de muziek of een handige
ondertitel ons uitlegt wat die emotie dan wel mag zijn. Joseph is
natuurlijk de broer van Ralph Fiennes – hij zou z’n Ralph een
proces moeten aanspannen omdat die op schandelijke wijze met al het
acteertalent in de familie is gaan lopen. Kristin Scott-Thomas is
natuurlijk een zeer fijne dame (of om het correcter te zeggen: een
bangelijk wijf), maar ook zij kan de meubelen niet redden en
worstelt zich met moeite doorheen haar houterige dialogen.

‘Man to Man’ was een ontzettende misrekening van alle betrokkenen:
een voor de hand liggend boodschapje wordt er met behulp van
clichés en karikaturen ingestampt, terwijl de muziek knalt en de
acteerprestaties roemloos ten onder gaan. Ik denk dat ik maar eens
langs de videotheek stap, om zo’n ouwe Tarzan met Johnny Weismuller
te huren.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

20 − negen =