Patrick Wolf :: Wind In The Wires

Langs de autosnelweg galoppeert de duistere gedaante van man en paard. Dicht weggedoken in zijn cape geeft de ruiter het beest de sporen. Ergens tussen de plooien van zijn kleren blikkert een rapier. De wind speelt met de hoogspanningskabels wat verder weg terwijl auto’s voorbij zoeven. Onheilspellend trekken wolken voorbij.

De man verlaat de snelweg en slaat een afgelegen bospad in. Te laat: uit de mist voor hem doemen twee grijnzende figuren op. Eén druk pratend in een walkie-talkie, de ander met zijn pistool onvermijdelijk op ons hoofdpersonage gericht. "Oh no, not me", flitst het die door het hoofd, en hij drukt zijn benen diep in de flank van zijn ros dat er als een speer vandoorschiet. Diep het bos in dat bij nader inzien al lang niet meer zo diep blijkt te zijn, maar toch. De twee figuren staren hem verbouwereerd na terwijl onze vrijdenker uit het zicht verdwijnt, nijdig voor zich uitmompelend "I won’t bow down anymore/I’m going to run the risk of being free."

Patrick Wolf haalt rare dingen met ons uit. Niets foute drugs, bizarre aanvaringen tussen een van onze vorige levens en de hedendaagse maatschappij of andere; deze man weet gewoon muzikaal de eenentwintigste eeuw aan de zestiende te paren en zo uit te komen bij iets dat nog best als futuristische folk te omschrijven is. En dat levert zo’n beelden bij ons op. Go figure.

Ondanks de elektronische onderlaag die zijn songs kenmerkt, is het eenentwintigjarig boy wonder in de eerste plaats een folky pur sang. Maar hij is meer dan dat: zijn songs zwerven rond in een mistig niemandsland tussen folk, elektronica en soundscape. Wolf slaagt er steeds in weinig evidente arrangementen voor zijn songs te bedenken. Daarbij is het vaak zijn viool die domineert, maar evengoed prepared piano of een accordeon. En veel volk heeft de man daarbij niet nodig in zijn keuken: Prince-gewijs is het "written, produced and performed by".

"The Libertine" dat Wind In The Wires inzet, is geen goeie indicatie van wat volgt. Hier krijgen we een opzwepende fiedel in het refrein en een jachtige beat. Dan is "Teignmouth" representatiever: een lijzige gesampelde ritmetrack, een ijl uitwaaierende stem en meer klikkende en krakende elektronica. Het kan echter ook traditioneler, zoals "Wind In The Wires" of "The Railway House", dat klinkt als een epoquedeuntje uit de tijd dat er nog hoofs werd gedanst.

"The Gypsy King" roept beelden op van spoken die in een Schots kasteel een danse macabre inzetten, "Ghost Song" is — hoe kan het ook anders? — van hetzelfde laken een pak. Gelukkig snelt de redder in "This Weather" de gegijzelde gasten ter hulp en maakt een paar songs later korte metten met het spooksel: "My name is Tristan/and I am alive". Maar is de redder zo’n zegen? I am the victim/And the murderer/You speak of love/But I’ve never heard of her/I am fucked.And I am fucking too": het zou wel eens van de regen in de drop kunnen zijn.

En dan komt de geitewollensokkenbaard in Wolf boven. Op afsluiter "Lands End" is het vrolijk huppelen en wel héél nuchter en hedendaags stelt hij vast "the work is done and the record pressed/Now you’re doing battle with the fickled press". Het lijkt verschrikkelijk werelds na al de voorgaande romantiek.

Dus komt er een goedmakertje met het verborgen "The Towans". Een mooie hidden track, want voor Wolf moesten er perse dertien nummers op de cd staan. En zo volgt nummer veertien gewoon na wat geluiden, opgenomen aan de kliftop waar Wind In The Wires werd geschreven. Het tekent Wolf: aan niets of niemand gebonden, vrij zijn zin doend. "Running the risk of being free", zoals hij in "The Libertine" zingt. Met een resultaat als dit is er anders weinig risico aan: Wolf vestigt zich als een boeiend artiest die het volgen meer dan waard is. Zéér de moeite.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

3 + 18 =