Ocean’s Twelve

‘Ocean’s Twelve’, het vervolg op de immens succesvolle heist movie
uit 2001, is een prachtig voorbeeld van wat ik graag pousse
café
-cinema zou willen noemen. Dat gaat zo: een regisseur en
een scenarist zitten na een avondje zwaar tafelen na te genieten
van een kop koffie en misschien een sigaar, waarna één van beiden
een diepe, genoeglijke zucht slaakt en zegt: ‘Eigenlijk zouden we
nog eens samen een filmpje moeten draaien.’ De ander antwoordt:
‘Ja, als we dat eens deden. Waarover?’ Dat gesprek gaat dan nog een
kwartiertje, hooguit twintig minuten door, en aan het einde daarvan
hebben de beide heren het script broederlijk bij elkaar gezwanst
tussen koffie en cognac. ‘Oceans’ Twelve’ is een film die alleen
maar werd gedraaid omdat de cast en crew zich zo goed geamuseerd
heeft tijdens het draaien van het eerste deel, dat ze het feestje
nog eens wilden overdoen. En omdat ‘Ocean’s Eleven’ zoveel geld opbracht,
natuurlijk. Zij hebben in ieder geval behoorlijk wat lol gehad. Nu
wij nog.

Drie en een half jaar na de succesvolle overval op de drie casino’s
van Terry Benedict (Andy Garcia), leven Danny Ocean (George
Clooney) en zijn elf medeplichtigen, min of meer anonieme leventjes
in verschillende uithoeken van de VS. Op een mooie dag staat
Benedict echter opnieuw voor hun neus met een simpele eis: hij wil
zijn geld terug. Met interest. Binnen de veertien dagen. Ocean’s
eleven staan nu voor de opgave bijna 200 miljoen dollar te stelen –
wat zelfs met de inflatie nog steeds een enorme som geld is. De
bende trekt naar Europa, voor een juwelenroof in Amsterdam. Een
onbetaalbaar Fabergé-ei in Rome. Dat soort dingen. Net wanneer ze
denken op de goeie weg te zijn om hun schuld af te betalen, krijgen
ze ook nog eens af te rekenen met de meesterdief ‘Night Fox’
(Vincent Cassel) én met een inspecteur van Europol (Catherine
Zeta-Jones).

Wat ‘Ocean’s Eleven’ voorhad op deze
sequel, was een duidelijk afgebakende plotstructuur. Danny Ocean
wou die casino’s beroven, hij verzamelde zijn bende, ze
ontwikkelden het plan, ze voerden het uit. Punt, simpel. De film
wist waar hij naartoe ging en verloor onderweg nergens tijd met
overbodige details. In het geval van ‘Ocean’s Twelve’, daarentegen,
krijgen we een veel meer gefragmenteerd verhaal. De film begint met
de terugkeer van Terry Benedict en zijn chantage van de bende van
elf, om dan ergens halverwege Vincent Cassel te introduceren.
Daarmee verandert de prent plotseling radicaal van focus: nu gaat
het ineens over de rivaliteit tussen Cassel en Clooney. En daarmee
is het nog niet afgelopen, want tijdens het laatste kwartier komen
we plots nog een aantal zaken over Catherine Zeta-Jones’ personage
te weten, die alles nòg eens een ander pad op sturen. ‘Ocean’s
Twelve’ is een film zonder duidelijke focus: verschillende ideeën
werden schijnbaar willekeurig bij elkaar gesmeten, maar slagen er
niet in om te stollen tot een samenhangende plot.

Niet dat een aantal van die ideeën niet erg leuk zijn – de scènes
van ‘Ocean’s Twelve’ hangen dikwijls als los zand aan elkaar, maar
ze zijn soms wel geestig. Neem nu de mysterieuze vergadering tussen
Clooney, Brad Pitt, Matt Damon en Amsterdamse misdaadchef Robbie
Coltrane: een scène van pakweg vijf minuten waarin dingen worden
gezegd als: ‘Als alle dieren aan de evenaar kon vleien, dan zouden
Thanksgiving en nieuwjaar op dezelfde dag vallen,’ terwijl Damon
wanhopig probeert te volgen wàt er in godsnaam gaande is. Dat soort
van momenten slaan absoluut nérgens op, net zoals de rest van de
film, maar ze zijn wel leuk. Matt Damon heeft trouwens de beste rol
in de hele prent, omwille van de simpele reden dat hij de enige is
die niét cool is – alle anderen lopen met een soort van
bovennatuurlijke zelfverzekerdheid over het scherm, Damon weet de
helft van de tijd niet wat er gaande is en probeert wanhopig om
hogerop te klimmen in de hiërarchie van de bende. En dàt komt dus
sympathiek over.

Maar goed, dat soort van momentjes kunnen niet verhinderen dat dit
een volstrekt lege film is, die twee uur lang doelloos ronddobbert
tot er materiaal genoeg is om er een einde aan te breien.
Soderbergh heeft de niet te benijden taak om een film in leven te
houden met maar liefst twaalf hoofdpersonages (plus Andy Garcia,
plus Albert Finney in een gastrolletje, plus Robbie Coltrane, plus
Vincent Cassel, plus Bruce Willis als zichzelf), en het
onvermijdelijke gevolg is dan ook dat sommigen onder hen worden
gedegradeerd tot weinig meer dan veredelde cameo’s – ik geloof dat
Garcia hoop en al vijf minuten in beeld is. Bovendien verzakt de
prent tegen het einde in een poel aan postmoderne knipoogjes naar
het publiek – Julia Roberts is terug als Clooney’s liefje Tess en
wordt door de bende gerekruteerd om zich uit te geven voor Julia
Roberts, omdat ze daar toch zo hard op lijkt. In een Italiaans
hotel lopen ze dan Bruce Willis tegen het lijf, én komt Tess in een
situatie waarin ze aan de telefoon praat met de echte Julia
Roberts. Dus eigenlijk krijgen we Julia Roberts die Tess Ocean
speelt, die Julia Roberts speelt die aan de telefoon is met Julia
Roberts. Als u nog kunt volgen. De acteurs vinden dat ongetwijfeld
gewéldig om te kunnen doen, maar wat heeft het nog met de film te
maken?

Er is maar één ding aan ‘Ocean’s Twelve’ dat zonder meer te
bewonderen valt, en dat is Soderberghs feilloze visuele en
auditieve flair. Deze hele prent ziet eruit als een Franse of
Italiaanse film uit de jaren vijftig, zestig, een product van de
nouvelle vague. Het is werkelijk magistraal hoe Soderbergh gebruikt
maakt van handgehouden camera’s, jump cuts, zooms, shots waarvan de
focus moet worden bijgesteld enzovoort. Elke truc in het boekje
wordt uitgeprobeerd, allemaal om aan ‘Ocean’s Twelve’ de look van
zo’n ultra-coole Godard- of Fellinifilm van destijds te geven.
Alleen al de manier waarop de teksten (“4 days left” en dergelijke)
in beeld komen, is schitterend. Bekijk ‘A Bout De Souffle’, ‘Bob Le
Flambeur’, ‘Le Cercle Rouge’, ‘La Dolce Vita’ en je ziet meteen
waar Soderberghs inspiratie vandaan kwam – je verwacht zó Marcello
Mastroianni in beeld te zien lopen, met een hip zonnebrilletje op
z’n neus.

Dit is een film die enkel bestaat voor z’n stijl. Soderbergh heeft
hier geen bal te vertellen, z’n verhaal is onsamenhangend en lang
niet alle scènes zijn even leuk, maar terwijl de regisseur ons
afleidt met nóg maar eens een ster in een onnozel bijrolletje, met
nóg maar eens een o zo slimme referentie naar z’n eigen vroeger
werk, is hij ondertussen geweldige dingen aan het doen met z’n
cameravoering, z’n gebruik van muziek en vooral z’n montage. Ik
veronderstel dat dat ook respect verdient.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

14 − 6 =